Raadsman Kanhai presenteert pleidooi

Thursday 1 February , 20181340

De raadsman van de voormalig bevelhebber van het Nationaal Leger Desi Delano Bouterse, Irvin Kanhai, presenteerde een ruim honderd pagina tellend pleidooi. Dit deed hij in de rechtszaal bij de behandeling van het 08 december strafproces op maandag 29 januari 2018.

Hieronder het pleidooi in extenso:

Pleidooi inzake BOUTERSE D.D.

Zitting 29 januari 2018

Edelachtbare leden van de krijgsraad

Nu de vervolgings ambtenaar, langer dan tien jaren later zijn requisitoir heeft gehouden ligt het op  de weg van de verdediging  Uw  raad  het tegendeel te bewijzen en met name de gebeurtenissen rond  7, 8 en of 9 december in een juist perspectief  te plaatsen.

 

Dit pleidooi zal in een aantal  hoofdstukken worden onder verdeeld  en wel de navolgende  hoofdstukken:

  1. algemene politieke beschouwingen in de context  van de gebeurtenissen
  2. de positie van mijn cliënt in met name het jaar 1982
  3. de werking van artikel 131 van de Grondwet
  4. de nauwe en bewuste samen werking
  5. bewijs perikelen.
  6. de gewijzigde amnestie wet en internationaal  amnestie wetten bekeken
  7. de werking van een eerder door Uw raad genomen beslissing en hervatting van het geding
  8. slotopmerkingen

 

Mevr. De President, leden van de krijgsraad  de onderverdeling van  dit pleidooi in de genoemde hoofdstukken vindt ondersteuning in met name artikel 336 van het Wetboek van strafvordering, immers  bij Uw beraadslagingen zult U niet alleen moeten letten op de ernst van het feit, doch ook de persoon van de verdachte en de omstandigheden  waaronder een  naar de mening van de  vervolging een strafbaar feit zou zijn gepleegd. In de benadering van de verdediging is er geen sprake van een strafbaar feit zoals later uit dit pleidooi zal blijken.

 

  1. Algemene beschouwingen in de context van de gebeurtenissen.

 

Mevrouw de President,

lk mag mijn rede, mijn pleidooi, in de zaak tegen de verdachte D.D. Bouterse in het onderhavige “8-decemberstrafproces” met enkele algemene observaties beginnen.

Mevrouw de President, Ik heb zojuist naar het proces verwezen als “het 8decemberstrafproces”, wat de benaming is die formeel, per beschikking van Hof van Justitie ex artikel 4, er aan gegeven is. Maar u weet ongetwijfeld net als ik, mevrouw de President, dat in de Surinaamse samenleving deze officiële naam van het proces nauwelijks wordt gehanteerd. Waar en wanneer dat een enkele keer wel het geval is, wordt direct daarop nadrukkelijk vervolgd met de gevleugelde benaming ‘decembermoorden’, welke binnen 24 uur nadat de gebeurtenissen rond 8 december 1982 hadden plaatsgevonden, door Nederland aan ons volk en de wereldgemeenschap werd aangereikt en wel om redenen die aan het belang van dat land dienstig zijn.

Met grote aandrang en steun zijdens Nederland is de Surinaamse samenleving met een niet aflatende ijver, door vrijwel alle media in ons land- of het nou gaat om kranten of tijdschriften dan wel om radio of televisie – 35 jaren lang voortdurend en keihard gehersenspoeld om, zoals nu onomstotelijk vaststaat, een volkomen vals beeld in de geest en de hoofden van de bevolking gestampt te krijgen, van de gebeurtenissen die rond 8 december in ons land hebben plaatsgevonden.

Nog zonder enig deugdelijk justitieel onderzoek, dat overigens tot de dag van vandaag nog niet heeft plaatsgevonden (maar daar kom ik later op terug) is een aanzienlijk deel van de Surinaamse gemeenschap kennelijk ervan overtuigd (gemaakt!), dat een stel militairen uit machtsbehoud onschuldige landgenoten hebben gearresteerd, gemarteld en doodgeschoten. In de heftige discussies die in de afgelopen jaren in alle lagen van de samenleving over deze kwestie hebben plaatsgevonden, heeft zelfs menige goed getrainde jurist zich er niet voor kunnen behoeden om in de val te lopen om de juridisch bedenkelijke term van “decembermoorden” (en daarmee verbonden moordenaars) te hanteren voor de kwestie die rond 8 december 1982 in ons land heeft gespeeld.

 

Mevrouw de President, het lijdt geen twijfel, dat in een land waar de schuld of onschuld van een verdachte in een rechtsproces door een jury moet worden vastgesteld, onder gelijksoortige omstandigheden als hier het geval is, geen jury zou kunnen worden gevonden, die met de vereiste onbevangenheid c.q. afwezigheid van vooroordeel, de opgelegde taak zou kunnen uitvoeren.

In ons land hebben we inderdaad een ander rechtssysteem, maar geldt ook hier niet, Mevrouw de President, dat onze rechterlijke instanties even onbevangen, even onbevooroordeeld, elke verdachte van Wat dan ook tegemoet dienen te treden, om met kennis verkregen uit deugdelijk onderzoek over Schuld of onschuld van de betrokkene te kunnen oordelen? Hoe vaak hebben niet ook leden van onze hoogste rechtscolleges, in de kennelijk onvermijdelijke discussies over deze kwestie binnen hun kleinere of bredere professionele en vriendenkringen, met hun herhaalde gebruik van die meer genoemde gewraakte benaming, blijk gegeven van hun vernietigend vooroordeel ten opzichte van de degenen die in dit proces als verdachten zijn opgebracht.

 

Verder, Mevrouw de President,

Dit “8-december strafproces” is kort vóór de verjaring van eventuele strafbare zaken bij de gebeurtenissen die rond 8 december 1982 in ons land hebben plaatsgevonden, bijkans 18 jaren daarna met de aanwijzing van verdachten en politieverhoren van start gegaan. In die 18 jaren is de Surinaamse (en de internationale) gemeenschap niet eenvoudig gehersenspoeld en vergiftigd met het valse beeld van ‘decembermoorden’, ‘decembermoorden” en nogmaals ‘decembermoorden’ en daarmede verbonden “moordenaars”.

 

Eigenlijk is de enorme effectiviteit die deze beïnvloedingscampagne heeft gehad heel goed te begrijpen. We zijn allemaal mensen, ook de leden van onze rechterlijke instanties en iemand zou mentaal wel heel sterk moeten zijn om niet te bezwijken onder de voortdurende hersenspoeling van de door het Koninkrijk der Nederlanden/Nederland of door wie dan ook bestuurde, gigantische propagandamachine.

Toch is het niet aanvaardbaar dat ook onze rechterlijke instanties kennelijk hieraan ten prooi gevallen zijn. Maar als naar de feiten gekeken wordt, zou heel moeilijk een andere conclusie kunnen worden getrokken. Immers de gerechtelijke acties leidend tot dit strafproces beginnen vanuit de toestand van maximale indoctrinatie die er gedurende 18 jaar van intensieve hersenspoeling na de gebeurtenissen is geaccumuleerd en is gericht op berechting en veroordeling ter zake van moorden (de “decembermoorden”).

Dit gebeurt met een schromelijk negeren van de omstandigheden die 18 jaar eerder golden, toen de gebeurtenissen feitelijk plaatsvonden.

De kwalificatie van ‘moorden’ stond vanaf de eerste dag van de start van het proces, na 18 jaar van intensieve hersenspoeling, ook voor de rechterlijke instanties kennelijk al onwrikbaar vast. Het ging er alleen nog om de moordenaars in beeld te brengen en te veroordelen.

Helaas is dit de kern geweest van het onderzoek dat de  Auditeur Militair lijkt te hebben verricht om klaarheid te brengen in wellicht de vreselijkste, meest pijnlijke ellende die ons als volk in de afgelopen eeuw is overkomen. Een rampspoed die wij in de volste omvang daarvan moeten zien te begrijpen om te kunnen voorkomen, dat die ellende ons ooit weer overkomt. Dit laatste is de Auditeur Militair – die ik overigens heel hoog acht – kennelijk volkomen ontgaan en daardoor kan hij van ons voor zijn werk in deze kwestie helaas niet meer dan een dikke onvoldoende krijgen.

Mevrouw de President,

Wij – de verdediging van deze en andere verdachten – hebben wel de moeite genomen om het begin van elke serieuze poging ter verkrijging van een waarachtig, zuiver inzicht in wat ons als volk in 1982 is overkomen, te plaatsen  waar dat begin hoort te zijn; en dat is nergens anders dan rond de gebeurtenissen van 35 jaar geleden.

We hebben dit gedaan omdat we met de dikste Hollandse klompen aan konden aanvoelen, dat er zoveel niet klopte aan de voorstelling van Zaken, die met de vreselijke hersenspoeling van de afgelopen jaren door Nederland en onze slaafs volgende media, in de gemeenschap is gepompt.

Zo zouden militairen die een vrijwel bloedeloze staatsgreep pleegden, zomaar een dag zijn opgestaan om onschuldige burgers die voor democratie in actie waren op te pakken en te doden. Daarna hebben deze van een gruwelijke moorddadigheid beschuldigde militairen daartoe nooit meer de behoefte gevoeld, ook niet toen zij de door henzelf uitgeschreven verkiezingen (en de daaruit voortvloeiende macht) grandioos verloren! Ik denk dat een kundige psychiater of psycholoog een forse klus eraan zou hebben om hiervoor een sluitende, logische verklaring te construeren.

Dan gaat de grote hersenspoelmachine verder om in de gemeenschap het idee te pompen, dat deze militairen zich hebben schuldig gemaakt aan ‘ernstige mensenrechtenschendingen” en dat met een sluwe, impliciete verwijzing naar wat er in dat opzicht over ettelijke jaren systematisch bijvoorbeeld in Argentinië (en ook Birma?) is gedaan, waar respectievelijk meer dan 60.000 en meer dan 3 miljoen doden zijn geteld.

Om de acties van de militairen (maar beter gezegd het Nationaal Leger) rond 8 december 1982 elke vorm van legitimiteit te ontnemen moet verder dan ook het beeld in de samenleving worden gepompt, dat het geen legitieme actie van ons Nationaal Leger betrof, geen legitieme actie van het Wettige Gezag in ons land, dat ten dele samenviel met de leiding van het Nationaal Leger; “want de opdrachten voor die acties zijn niet langs de gebruikelijke commandolijnen gegeven”, zoals o.a. door het eertijds Hoofd van de Militaire inlichtingendienst, voor uw Krijgsraad is verklaard.

 

Het zou waarschijnlijk dus moeten zijn gegaan om handelingen van een stel losgeslagen, misdadige elementen uit het Nationaal Leger, die puur voor hun eigen doelen handelden. Toch was er kennelijk geen sprake van muiterij? Of was de leiding van het Nationaal Leger tegen zichzelf in opstand gekomen? Uit dit alles en zoveel meer is steeds duidelijker geworden, dat het beeld van de gebeurtenissen waarvan bij de aanvang van de onderhavige gerechtelijke procedures lijkt te zijn uitgegaan, absoluut niet juist kon zijn!

 

In de loop van de volgende 17 jaren vanaf de start van de gerechtelijke procedures tot heden, is voor deze vaststelling onzerzijds steeds meer bevestiging gevonden, terwijl tegelijk ook steeds meer inzicht is verkregen in wat de ware omstandigheden zijn geweest. En het staat nu onomstotelijk vast, dat het verschrikkelijke lot dat ons als volk in december 1982 heeft getroffen absoluut, voor 100% te maken had met een in een vergevorderde staat van voorbereiding zijnde militaire actie vanuit het buitenland, om nog vóór het einde van dat jaar in ons land een door dat buitenland (het Koninkrijk der Nederlanden en zijn bondgenoten) gewenste regime Change’ in ons land te bewerkstelligen; dat wil zeggen zo nodig een staatsstructuur te Scheppen en in elk geval een staatsleiding aan te stellen, die met volkomen negering van het Surinaamse nationale belang geheel dienstbaar aan de belangen van het betreffende buitenland zal zijn. Juister is te zeggen “zal moeten zijn!”, want de betreffende macht doet het ook niet voor niets, het materiële belang ligt nooit te ver onder de oppervlakte.

Mevrouw de President,

‘Regime Changesl. Regime Change is letterlijk een dood ernstige zaak.

In elk land zijn er mensen die blij zijn met de regering die ze hebben en weer andere mensen die absoluut niets van die regering moeten hebben en die regering het liefst zo snel mogelijk uit de macht zouden willen verwijderen. Dat mag en dat moet kunnen. In de constitutie zeker van democratische Samenlevingen is doorgaans precies aangegeven hoe dat kan worden gerealiseerd met legio middelen, variërend van massademonstraties en burgerlijke ongehoorzaamheid tot de in de grondwet voorziene algemene verkiezingen van het parlement, waarin een regering de zegen van een meerderheid dient te bezitten om te kunnen regeren, enzovoorts, enzovoorts, we kennen het wel…..

De vervanging van een ongewenste regering door de eigen bevolking met de middelen die de constitutie van het land biedt, is één ding. Maar ‘regime change’ is een andere, volkomen verwerpelijke aangelegenheid, waar elk landskind dat bij zijn volle verstand is ver van moet zien te blijven Mevrouw de President.

 

We hebben dankzij de moderne communicatie middelen van ‘wifi’ en ‘internet’ waarover wij tegenwoordig mogen beschikken, geleerd wat ‘regime change’ heeft betekend in Irak, in Libië en Afghanistan, aan materiële verwoesting en meer nog aan verlies van mensenlevens; en dat niet alleen wanneer de militaire acties ter realisatie daarvan plaatsvinden, maar erger nog gedurende vele jaren nadat de ‘regime change’ succesvol (en dit tussen aanhalingstekens) is gerealiseerd. De prijs voor de beoogde regime change’ in Syrië werpt al jaren zijn donkere schaduwen vooruit. De acties voor regime change in Panama in 1989 om Manuel Noriega te pakken te krijgen, hebben in de 6 weken dat de gevechten geduurd hebben, voor vele tientallen als niet honderden miljoenen aan materiële schade teweeg gebracht en naast de honderden militaire ‘casualities de dood van meer dan 1000 onschuldige burgers opgeleverd. Als de Panamese samenleving ooit geheel zal herstellen van de vernietigende impact van deze militaire ingreep van het leger van de USA dan zal het, gegeven de huidige situatie daar, waarschijnlijk nog vele tientallen jaren duren.

Zoals we uit de genoemde voorbeelden hebben kunnen zien betreft regime change niet het simpelweg ontslaan van de ongewenste staatsleiding; het betreft in verreweg de meeste gevallen de fysieke eliminatie niet alleen van de ongewenste staatsleiding maar zeker ook de fysieke eliminatie van een brede kring van politiek actieve personen, die met de ongewenste staatsleiding verbonden worden geacht of als cruciale elementen worden gezien voor de instandhouding dan wel de uitbouw van de politieke en filosofische grondslagen van de door de desbetreffende buitenlandse macht (of machten) ongewenste staatsstructuur of politieke constellatie.

‘Regime change’ is een verwerpelijke aangelegenheid waartoe de machtige landen van de wereld het recht menen te hebben, ondanks dat ze kunnen zien dat ze daarmee de wereld – zeker in de afgelopen decennia- eerder slechter dan beter hebben gemaakt. Echter geen landskind kan daar medewerking aan verlenen, niet uit kwaadaardige of ziekelijke onderschatting en minachting van het eigen volk, noch om ondoordachte, naïeve, schijnbaar goede bedoelingen, zonder alle rechten als landskind te verliezen. Dit fenomeen, bekend als hoogverraad, wordt doorgaans zeer hard bestraft

 

Mevrouw de President, in het tweede deel van mijn betoog zal ik in detail aangeven, dat de mensen die in december 1982 zijn gearresteerd op verdenking van samenspanning met een buitenlandse macht om regime change in Suriname te bewerkstelligen, met alle in het voorgaande geïndiceerde consequenties van dien, zich inderdaad aan deze vorm van hoogverraad hebben schuldig gemaakt.

Ik kan u verzekeren Mevrouw de President dat ik in de voorbereiding van mijn pleidooi, deze conclusie als uitermate pijnlijk heb ervaren. Het besef dat landgenoten die allemaal uitschieters waren in het beroep dat ze uitoefenden en ongetwijfeld het beste voor hun land, ons land wensten, zich op een moment van onbedachtzaamheid moeten hebben laten verleiden om aan deze vernietigende actie tegen ons vaderland en ons volk, medewerking te verlenen.

Mevrouw de President, we mogen de hemel danken dat wij van die verschrikkelijke ellende gespaard zijn gebleven. Want dat is op zichzelf een wonder geweest. We zijn zoals de bekende zegswijze luidt ‘door het oog van de naald gekropen’. Ons Nationaal leger, dit instituut van mannen en vrouwen, waarvan de leden, alle leden daarvan, bij hun volle bewustzijn de missie hebben aanvaard om met inzet van hun eigen leven de soevereiniteit van ons land en de veiligheid van ons volk te waarborgen, is daarbij tot het uiterste op de proef gesteld.

Uit de informatie die in de loop van de tijd daarover beschikbaar is gekomen, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de voorbereidingen voor de vijandige militaire actie uit het buitenland van een hoogstaand professioneel niveau en praktisch voltooid waren. De condities om succesvol toe te slaan waren met een niet te onderschatten kundigheid gecreëerd, onder meer door: vakkundig geprovoceerde, Coïnciderende massa-stakingen en protest demonstraties, solide controle over c.q. medewerking van praktisch alle nieuwsmedia, de openlijke ondersteuning van de grootste vakcentrale(s) terwijl de doorslaggevende ondersteuning door een bruggenhoofd van gezaghebbende, kundige landgenoten uit diverse sectoren van onze samenleving was verzekerd, maar bovenal een heel effectieve ondermijning van de slagkracht van het leger door de stille loyaliteit van Cruciale elementen daarbinnen te bewerkstelligen, kennelijk gereed om naar die andere zijde over te lopen wanneer de inval van start zou gaan.

 

In aanloop naar de gebeurtenissen was steeds duidelijker dat ons leger eigenlijk op elk moment als een kaartenhuis uiteen zou kunnen vallen. Binnen het leger was er een sfeer van groot onderling wantrouwen en het leek alsof niemand, iemand meer kon vertrouwen. Het is met de genade van Boven, alleen aan de door de Legerleiding betoonde doortastendheid en sublieme militaire instinct te danken geweest, dat ons defensieapparaat tijdig weer in een conditie kon worden gebracht voor effectieve vervulling van de taken waarvoor het is ingesteld.

Mevrouw de President, dat was de situatie in ons land in die eerste week van december 1982.

lk realiseer mij op dit punt ten volle, dat wat ik u ten aanzien hiervan zojuist heb voorgehouden als een verzonnen verhaal, een sprookje of een deel van een spannende roman op u zou kunnen zijn overgekomen. Maar niets hiervan. De bronnen waar deze informatie uit is geput zijn talrijk, de informatie daarin overvloedig. Het is daarom des te opmerkelijker, dat deze informatie niet aan de orde is geweest in het requisitoir van de Auditeur Militair, mogelijk omdat de Auditeur Militair die informatie niet dienstig heeft gevonden voor wat hij kennelijk als zijn taak in dit strafproces beschouwt en wel om moordenaars te identificeren en bestraft te krijgen.

Niet één moment heeft de Auditeur Militair voor zijn oordeelvorming over de gebeurtenissen van december 1982 zelfs verwezen naar deze overstelpende hoeveelheid informatie, om desnoods vervolgens met degelijke beschouwing daarvan, duidelijk te maken waarom hij daar geen waarde aan wenst te hechten. Maar na deze algemene opmerkingen welke ik bij het begin van mijn pleidooi heb aangegeven te willen maken, zal ik in het daarna volgende specifieke deel van mijn betoog, heel specifiek, in alle detail, onder andere met de officiële getuigenverklaringen in dit strafproces, ingaan op de situatie rond 8 december 1982 in ons land en de onderbouwing bieden voor de beschouwing welke ik zojuist daarover gegeven heb.

Mevrouw de President,

Volgens de verklaring van de getuige Petrus van Haperen, de Nederlander die heeft aangegeven intensief betrokken te zijn geweest bij de voorbereiding van de beoogde invasie, was deze gepland voor de nacht van 24 op 25 december 1982, wanneer veel mensen vanwege kerstnacht in familieverband binnenshuis zouden zijn. Maar de voorbereidingen waren in elk geval geruime tijd daar vooral ‘ready” en de beoogde actie zou op elk moment eerder kunnen worden ingezet, als daar een aanleiding toe zou worden gevonden.

Bijvoorbeeld als een van de verraders (?)/onzuivere elementen in het leger of in de kringen rondom de regering (want die waren er inderdaad ook!) informatie zou doorspelen over een beoogde tegenactie van het Bevoegd Gezag, als ze daarvan enige notie zouden hebben gekregen.

Mevrouw de President, het door u hier voorgezeten rechtscollege is een Krijgsraad, een militaire rechtbank. We mogen dus aannemen dat dit een instantie is bekend met de militaire cultuur, met militaire strategie en militaire operaties. Zou iemand met deze achtergrond kunnen verwachten, dat onder de omstandigheden die er rond 8 december 1982 golden, het Bevoegde Gezag, ten dele samenvallend met de leiding van het Nationale Leger, een actie zou voorbereiden voor het afslaan van een levensgevaarlijke vijandige operatie vanuit het buitenland, anders dan in het diepste geheim, met uitsluiting van alle onzekere factoren die er op dat moment binnen het defensieapparaat en ook binnen de regering zouden kunnen bestaan?

De Legerleiding had een uiterst beperkte manoeuvreerruimte en kon in principe in eerste instantie slechts op de Groep van Zestien (althans op de grote meerderheid daarvan) terugvallen, om een proces op gang te brengen waarbij de positieve elementen in de rest van het leger in stelling zouden kunnen worden gebracht om de discipline en de effectiviteit van het apparaat in voldoende mate te herstellen voor ontmoediging van een vijandige aanval uit het buitenland.

 

Wanneer zogenaamde militaire deskundigen voor uw Krijgsraad hebben verklaard, dat instructies voor de tegenactie niet via de gebruikelijke commandolijnen zijn gegeven dan is het daarom. Wanneer het Hoofd van de Militaire Inlichtingendienst voor uw Krijgsraad heeft verklaard van geen vijandige actie uit het buitenland op de hoogte te zijn geweest, dan heeft hij zijn werk waarschijnlijk niet goed gedaan en door zijn (misschien wel eerlijke) stilzwijgen tegenover de leiding van het Leger, over de opkomende vijandige actie uit buitenland, de indruk gewekt misschien wel bij de verraders te horen die op dat moment in het leger opereerden en is hij mogelijk om die reden niet bij de acties betrokken.

Mevrouw de President,

De arrestatie van de mensen, die werden verdacht van Collaboratie met een vijandige kongsie van buitenlandse mogendheden/overheden die tot een vernietigend proces van regime change in ons land voornemens waren, was dringend noodzakelijk en volkomen legitiem. Maar hun dood is zeer, zeer te betreuren en was absoluut niet de bedoeling van het Bevoegde Gezag.

Er zal nog heel veel serieus onderzoek nodig zijn alvorens we zullen kunnen begrijpen wat zich in de nacht van 8 op 9 december in het Fort Zeelandia heeft afgespeeld. We kunnen erover speculeren wat tot de verwoestende uitbarsting heeft geleid van de spanning, die in de geest was opgekropt van militairen van alle rangen, vanwege de vreselijkste beledigingen en zeer ernstige bedreigingen welke ze wekenlang, dag in dag uit moesten ondergaan.

Een verwoestende uitbarsting die de rampzalige gevolgen heeft gehad die het onderwerp van dit rechtsproces zijn.

Omdat slechts de optie van ‘moord’ bij de start van de gerechtelijke procedures die tot dit strafproces hebben geleid nog vervolgbaar was, heeft de Auditeur Militair zijn onderzoek slechts op deze kwalificatie gericht en daardoor de kans gemist om een diepgaand inzicht te produceren van wat precies aan de hand is geweest in de kwestie van de gebeurtenissen die rond 8 december 1982 in ons land hebben plaatsgevonden.

Maar ook de omstandigheden die hij als bewijs aanvoert voor moord en voor de veronderstelde betrokkenheid van de verdachte van wie de zaak vandaag voor uw Krijgsraad aan de orde is en die van alle andere militairen die ik in deze zaak vertegenwoordig, maar eigenlijk van alle militairen die in deze zaak als verdachte van moord zijn opgevoerd, lijken van nul en generlei waarde.

Dat militairen moesten oefenen om 15 mensen op een afstand van 20, 25 (?) meter dood te schieten is op zichzelf al een zeer ernstige belediging aan het adres van het Nationaal Leger. Dat een militaire schietoefening betekent dat de dood van de arrestanten met voorbedachten rade was geschied door de mensen die bij de oefening betrokken waren is even belachelijk. Militairen moeten zo vaak mogelijk oefenen, niet alleen om goed te kunnen schieten maar ook om al die andere vaardigheden onder de knie te krijgen die ze nodig hebben voor de effectieve volvoering van hun missie – de bescherming van land en volk van Suriname (met inzet van hun eigen leven!). En ze moeten zeker als zodanig oefenen als ze zich moeten voorbereiden op een vijandige aanval uit het buitenland. Tenslotte is door de Auditeur Militair geen enkel bewijs geleverd voor enigerlei beraadslaging om de mensen die omgekomen zijn te arresteren met de bedoeling hen te doden.

Als de betrokken verdachte militairen in beraad geweest zijn is het uitsluitend geweest om de buitenlandse aanval die op handen was af te wentelen.

Om al het voorgaande, waaruit blijkt dat niet enig bewijs voor moord door de Auditeur Militair is geleverd, is het ook niet relevant of de verdachte van wie de zaak vandaag aan de orde is, al of niet op enig moment rond 8 december in het Fort Zeelandia aanwezig is geweest.

Dat neemt niet weg dat de dood van de landgenoten die in het Fort Zeelandia onder arrest waren, na 35 jaren nog steeds een diepe traumatische ervaring is, die we waarschijnlijk alleen met geduld en waarachtige liefde voor elkaar te boven zullen kunnen komen. Toch ontkomen wij niet aan het beeld van hoeveel groter deze tragiek zou zijn geweest als de invasie was doorgegaan.

Mevrouw de President, we zijn als samenleving zeer, zeer veel dank verschuldigd voor de sublieme doortastendheid van de legerleiding, dank aan de Groep van Zestien en dank aan het Nationale Leger in zijn geheel, voor de wijze waarop ze ons in december 1982 voor een verschrikkelijke ramp hebben behoed; maar we zijn hen ook dank verschuldigd voor hun bescherming in de jaren daarvoor en daarna.

Als dank daarvoor hebben we hen echter 35 jaar lang beschimpt en besmeurd, hen en hun nageslacht tot de marge van de samenleving weggedrukt en tot paria’s gemaakt, en dat omdat wij ten prooi  zijn gevallen aan de vernietigende propagandamachine van de instanties in binnen- en buitenland, die voor het verdoezelen van hun schuld aan de ellende die ze in december 1982 over ons hadden willen laten komen, die schuld hebben willen wentelen op militairen die ons voor die ellende hebben behoed.

Mevrouw de President,

Er komt een dag, en moge dat spoedig zijn, dat wij op een gepaste wijze eer Zullen Weten betonen aan deze militairen, aan deze helden, die wij in de afgelopen 35 jaar zoveel leed hebben aangedaan. Want één ding is zeker dat de poging van de buitenlandse agressoren van december 1982 om onze militairen te belasten met een onverdiend schuldgevoel, is als een tweetraps raket; eensdeels om de betrokken militairen compleet buiten spel te zetten en anderdeels om de Weg Vrij te maken voor hun eventuele agressie in de toekomst, omdat geen enkele militair geen enkele jongere of oudere, geen enkele vaderlandlievende landgenoot daarbij dan nog één vinger ter Verdediging van Ons land zal durven uitsteken.

Mevrouw de President ik wil nu overgaan tot de gedetailleerde onderbouwing van alle stellingen die ik in het voorgaande, algemeen beschouwelijke deel van mijn betoog heb opgeworpen…………..

 

  • Staatsrechtelijke positie van cliënt

In de nacht van 24 en 25 november 1975 ging de regeermacht  in Suriname volledig over op het Surinaamse volk, dat van af toen de potentiële  soevereiniteit  in de nieuwe staat bezat. Op 25 februari 1980  heeft in ons land  een omwenteling plaatsgevonden  waardoor ons land in de pas is gaan lopen met een aantal derde wereld landen, die op zoek naar eigen identiteit dit soort omwentelingen hebben gekend. Om niet te lang te blijven steken bij de oorzaken  van de omwenteling verwijst de verdediging Uw raad naar de in 1979 verschenen Encyclopedie van de derde wereld “Encyclopedia of the third World” waarin meer dan 115 derde wereld landen zijn beschreven. Deze omwenteling heeft staatsrechtelijke gevolgen gehad en brengt Uw raad in  herinnering de machtigings wet van 20 mei 1980  Machtigings wet 1980  S.B. no. 28.

Op 13 augustus 1980  werd de nood toestand afgekondigd  S.B.  1980  no. 59. Deze beide wetgevings producten zijn voor de burgers  bindende regelingen. Wat waren de voornaamste oorzaken om de  het algemeen decreet  van 13 augustus 1980 af te kondigen. De opsomming is niet limitatief.

Het militair gezag ontdekte, dat er plannen waren en werden gesmeed tot het omverwerpen van het gevestigde gezag.

Constitutionele conflicten tussen de Raad van Ministers en de President (toen nog Ferrier) en Ernstige onduidelijkheden  in de verhouding  tussen de regering en het toen nog bestaande parlement.

Mevr. De President, leden van de Raad. Naast de algemeen decreet  A-1 en algemeen Decreet B en algemeen Decreet B-4 respectievelijk gepubliceerd in S.B. 1980 no. 60 en 22 augustus 1980 S.B. 1980 no. 64 is het van belang  in dit verband de wet van 3april 1980  bekend als de Amnestie wet die tot stand kwam in samenwerking met de regering en het toen nog bestaande parlement. Deze wet hield in de opheffing van de strafrechtelijke gevolgen ten behoeve van personen die zich in verband met de op 25 februari  1980 S.B.  1980 no. 27  gepleegde  militaire ingreep schuldig  hebben gemaakt aan een strafbaar feit. Er vind dus kwijtschelding plaats. Hiermede is de staatsmacht ook overgedragen aan de nieuwe machthebbers waaronder mijn cliënt die van af dat moment ook verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van de totale bevolking. Al de hier genoemde Decreten zijn gecontrasigneerd door mijn cliënt.

  • de staatsrechtelijke positie van cliënt en de loop naar de gebeurtenissen van december 1982

 

Reeds onder 1.1. heeft de verdachte Uw raad aangegeven ,dat hij  belast was  door de amnestie wet met de staatsmacht en ook dus met het wel en wee van het volk. Ook is onder Uw aandacht gebracht  het algemeen Decreet van 13 augustus 1980 met name de pogingen die werden ondernomen om het  wettig gezag om ver te werpen. Het wettig gezag bestond toen uit met name mijn cliënt. Uw raad kan de gebeurtenissen van 1982 niet als een geïsoleerd  incident beschouwen.

Het  is overduidelijk zoals in het hierna volgende zal blijken, dat het een onlosmakelijk onderdeel is geweest  van de reeks bewezen, op instigatie van Nederland dan wel zelf door Nederland ondernomen acties, om vanaf de eerste dag van 25 november 1975  de onafhankelijkheid van ons land tot een façade te reduceren. Een façade waarachter het op de zelfde koloniale grondslag als voorheen, voor ons zou bepalen wat goed is voor ons volk, welke van onze hulpbronnen wel en welke niet ontwikkeld mogen worden en welk deel van de opbrengsten daarvan ons en welk groter deel hen ten goede zou komen. Nederland heeft eerst geprobeerd om de militairen met een schenking van NF 500 miljoen in de kazerne terug te krijgen. De geest, bedoeld wordt kolonel Valk, was uit de fles gehaald en die was niet meer zo eenvoudig om in de fles terug te krijgen.

 

De aanloop naar de gebeurtenissen onder instigatie van Nederland  op een rij:

 

30 april 1980  de bekende Ormskirk Coup

Fred Ormskirk woonde in Nederland toen hij een coup beraamde  in Suriname. Deze Ormskirk had in Indonesië onder de beruchte  Nederlandse Commandant van de speciale troepen, de Kapitein Westerling gediend. Kapitein Raymond Pierre Paul Westerling  31 augustus 1919 tot en met 26 november 1987 heeft grote bekendheid verworven door zijn moorddadige verschroeide aarde  acties waarbij  volgens zeggen soms hele dorpen  met de grondgelijk  werden gemaakt  bij de Nederlandse straf expedities, om te proberen de onafhankelijkheid van Indonesië te stuiten. Tot de Nederlandse “heldendaden” van deze Ormskirk behoren  de vele standrechtelijke executies in dit verband in zuid Celebes  (tegenwoordig  Sulawesie ( zie wikipedia  Westerling ). Nederland heeft hem tot zijn dood buiten schot kunnen houden voor een welverdiende vervolging wegens oorlogs misdaden en mensen rechten schendingen.

 

15 maart 1981  Wilfred Hawker

Wilfred Hawker heeft op15 maart 1981 een tweede coup poging tegen het bevoegd gezag ondernomen. Hawker ondernam deze coup poging nadat hij in Nederland een commando opleiding had gevolgd. Opnieuw de rol van Nederland om de geest in de fles terug te krijgen.

Hawker rekruteerde sergeanten en andere militairen om een couppoging te ondernemen en werd hij gefinancierd door een Chinese zakenman  Chung.

 

Maart 1982  Rambocus coup

Alvorens  de verdediging de Rambocus coup onder de aandacht van Uw raad brengt moet de verdediging opnieuw vaststellen, dat de verdediging zich nog steeds houd aan de tenlastelegging en doende is  de omstandigheden  waaronder de gebeurtenissen hebben plaats gevonden onder Uw aandacht  te brengen, immers Uw raad zal ook over de omstandigheden een oordeel moeten geven. Bovendien is het dienstig om hier vast te stellen, dat een coup poging tegen het bevoegd gezag een strafbaar feit is indien het mislukt, doch  indien  de poging lukt de coup plegers het bevoegd gezag zijn.

Deze coup poging was  een bedreiging voor het bevoegd gezag en zou verregaande gevolgen hebben voor het opnieuw koloniseren van dit land. Deze couppoging bestond uit twee delen. Op 11 maart 1982  werden Bouterse  en de legerleiding uitgenodigd voor de jaarlijkse  hindoe lente feest, Phagwa, in een hindoe tempel aan het Pad van Wanica. In de tempel zouden ze vergiftigde drank krijgen aangeboden. Het gif was klaar gemaakt door een bekende  nickeriaanse arts. Mocht het vergiftigen mislukken, dan stond achter de tempel een groep militairen onder leiding van Jiwansingh Sheombar met afgezaagde shotguns gereed om de groep af te schieten.

Bouterse en zijn aanhang  kwamen niet opdagen  waardoor deze poging  mislukte.

Mevr. De President leden van de krijgsraad  reeds is aangegeven, dat de Nederlandse overheid  alles te maken heeft gehad met al de hier eerder genoemde couppoging en zoals later zal blijken ook met de gebeurtenissen rond 8 en 9 december 1982. Om zulks te illustreren een pikantigheid. De toenmalige militaire attaché in Paramaribo de Kolonel Bas van Tussenbroek ging door het dolle heen na de mislukking en vertelde aan iedereen die het maar wilde horen, dat Rambocus een stomme klootzak was.

 

Rambocus had de leiding van het land in overeenstemming met de instructies van de Kolonel moeten doden, toen hij daarvoor de kans had.

Hij had volgens van Tussen broek die kans echter verspeeld met zijn schoolse theoretisch gedoe waardoor de coup uiteindelijk gedoemd was te mislukken. De Kolonel is later actief adviseur  van het Jungle commando in Frans Guyana nog een stuk verder gefrustreerd geraakt, toen hij ook daarna  met zijn adviezen niet zijn beoogde doel kon bereiken. Zijn missie was om Bouterse te doden. Deze feitelijkheden mevr. De President zijn geen fantasieën, doch  verifieerbare feiten. Ik verwijs U naar een uitgebreid interview met bedoelde Tussenbroek in Vrij Nederland van 19 juni 1993  van de hand van Gerard van Westerloo onder de titel  “De coach, het geheime leven van Kolonel Bas van Tussen broek”

Later in het pleidooi zal zijn rol bij de gebeurtenissen van 8 en of 9 december aan de hand van getuige verklaringen worden aangedikt

 

Mevr. De President, leden van de raad, mijn cliënt was belast met de leiding van dit land en rustte ook op hem de verplichting om de veiligheid te garanderen. De garandering van de veiligheid en de gebeurtenissen zullen nader besproken worden.

De  werking van art.131 lid 3 van de Grondwet (inmenging )

Door de  wetgever is op 2 april 2012 S.B. 2012  no. 49  een wetgevings product gepubliceerd.

De wet van 5 april 2012  houdende wijziging van de wet van 19 augustus1992 en aan Uw raad zonder verdere nadere aanduiding bekend.

In artikel 1 lid 1 onder f en g wordt de wet van1992 gewijzigd in dier voege, dat aan de personen die als verdachten zijn aangemerkt en als zodanig zijn gedagvaard in verband met feiten gepleegd op 7, 8 en of 9 december 1982  zoals omschreven in de dagvaarding in verband met de artikel 347, 348, 349 c.q. artikel 72 lid 2 en artikel 360 e.v. van het wetboek van strafrecht genoemd.

Voorts geeft artikel 3 van de gewijzigde wet  met name lid b, dat  indien het betreft personen tegen wie de zaak bereids ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, waarvan thans sprake is, de bevoegdheid tot strafvordering te hunnen aanzien vervalt, de Rechter voor wie de zaak aanhangig is gemaakt, onmiddellijk de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal uitspreken  en indien de verdachte zich in detentie bevindt diens onmiddellijke  in vrijheid stelling zal bevelen.

Deze wet is een wet in de zin van artikel 1 van wet  A.B.  zoals gewijzigd bij S.B. 1975 no. 171  en wordt tevens ook verwezen naar  artikel 12 van deze wet. Reeds op grond hiervan dient de raad het Openbaar Ministerie niet te ontvangen.

Maar mevr. De President, leden van de raad, zowel binnen als buiten de rechtszaal is over deze wet veel te doen geweest en heeft het geresulteerd in een uitspraak (vonnis) van Uw raad gedateerd  11 mei 2012  zulks op de gronden hierna te noemen. Op 9 juni 2016  heeft de raad haar beslissing herzien en zullen beide beslissingen thans nader worden besproken.

Vastgesteld moet worden, dat dit artikel in weinig constituties van West-Europa voorkomt. In elk geval niet in de Grondwet van het Koninkrijk Der Nederlanden de art. 112 tot en met 122 (hoofdstuk 6 van bedoelde Grondwet.)

Artikel 131 lid 3 van de huidige Grondwet en artikel 135 van de Grondwet van 1975 vind haar oorsprong in artikel 133 van de Landregeling en art.141 lid 3. Met name artikel 141 lid 3 verbied de landsregering  zich te bemoeien met  rechtszaken. De tekst van artikel 133  past dan ook geheel bij het bepaalde in artikel 141 lid 3.

De Landsminister van Justitie en Politie kan de P.G. derhalve alleen buiten het gebied der rechtszaken bevelen en aanwijzingen geven (zie hieromtrent  Dr. J. A. E. Buiskool  De staat instellingen  van Suriname  pagina 445). Ik stelde al vast, dat in de meeste landen van West Europa deze bepaling in de constitutie niet voorkomt. In onze Grondwet ontbreekt een begrips omschrijving van het woord inmenging zoals bedoeld in artikel 131 lid 3 en 135 van de oude Grondwet. In de literatuur en wel in een vrij recent uitgegeven werk getiteld de Grondwet van het Verenigd Koninkrijk Der Nederlanden van 1815, waarin staatkundige en historische beschouwingen worden gegeven uit België en Nederland valt te destilleren, dat onder inmenging niets anders kan worden begrepen, dan fysieke inmenging. De waarborgen die door organieke wetten worden gegeven hebben het noodzakelijk gemaakt deze bepaling niet op te nemen.

De grammaticale betekenis van inmenging  is zich ongevraagd  met iets inlaten. Welnu, de Nationale Assemblee als wetgever in onze constitutie heeft altijd en op elk moment de bevoegdheid wetten te maken. Het maken van wetten is haar opgedragen door de constitutie (zie de art. 71 lid 1 en art 72 lid g). De discussies die buiten de rechtszaal zijn gewoed zijn discussies die ontbloot waren van elke vorm van deskundigheid en moet worden geconcludeerd, dat er van inmenging  geen sprake kan zijn geweest. Bovendien is dit artikel zoals blijkt uit de landsregeling geschreven voor de uitvoerende macht en niet voor de wetgevende macht.

Vastgesteld moet worden, dat uit de literatuur eveneens blijkt dat nimmer bedoeld is een extreme scheiding der machten zoals  buiten de rechtszaal soms door quasi deskundigen wordt gesteld. Er is in een volwassen democratie sprake van spreiding der machten. Mevr. De President, leden van de raad, bij dit hoofdstuk is het goed om vast te stellen wat de zienswijze van de raad  was in 2012. Onder het hoofdstuk van de gewijzigde amnestie wet zal  het vonnis van 2012 uitgebreid aan de orde komen. In 2012 zegt de raad in een formele eindbeslissing, die intussen gezag van gewijsde heeft, dat artikel 131 lid 3 van de Grondwet valt evenwel niet onder de uitzonderingen  genoemd in artikel 80 lid 2 van de Grondwet en geeft de gewone rechter, in casu de krijgsraad, dus geen toetsings bevoegdheid. Derhalve acht de krijgsraad zich niet bevoegd de gewijzigde amnestie wet rechtstreeks aan artikel 131 lid 3 van de Grondwet te toetsen. Na deze vaststelling door de Raad komt het de verdachte voor dat nu reeds het openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Bij de uitgebreide bespreking van de amnestie wet zal ook dit vonnis en de art. 334,  335  en 336 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde komen

 

De nauwe en bewuste samenwerking

Mevr. De President, leden van de raad, wat is tezamen en in vereniging

De relevante criteria in dit verband (en dat volgt reeds uit de samenstellende delen van de term medeplegen) zijn de vragen of er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachten en of er sprake is geweest van gezamenlijke uitvoering.

 

Van belang zijn de elementen voor het aannemen van bewuste en nauwe uitvoering zijn bijv. de intensiteit van de samenwerking, een taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering, of afhandeling en het belang van die rol, het zich al dan niet distantiëren en aanwezigheid op belangrijke momenten.

Een voorbeeld waarbij bewuste en nauwe samenwerking wel werd aangenomen door het hof maar waarin de Hoge Raad toch casseerde is het vrij recente HR 5 juni 2007, LJN: BA1765.

Blijkens bestendige jurisprudentie zijn deze voorwaarden communicerende vaten: naarmate de samenwerking intensiever is,  worden minder eisen gesteld aan het bewijs voor de gezamenlijke uitvoering en dit geldt ook vica versa .

De opzet behoeft alleen gericht te zijn op de samenwerking en de te verrichten gedraging.

De medeplegers zijn strafbaar voor elkaars gedragingen voor zover deze binnen hun gezamenlijk (voorwaardelijk) opzet kunnen worden gebracht. Zie het belangrijke HR 20 februari 2007, NJ 2007, 263 m.nt. Reijntjes. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad afwijkt van de conclusie van A-G Knigge. Er is geen sprake van een bewuste samenwerking indien de verdachten ieder voor zich totaal afwijkende feiten op het oog hebben gehad. Er kan bij de beoordeling onderscheid gemaakt worden tussen een drietal momenten:

-Wat betreft de periode voorafgaande aan het plegen van het strafbare feit (de voorfase) is van belang de vraag of verdachten willens en wetens hebben samengewerkt in de aanloop naar de strafbare gedraging.

Uitdrukkelijk en vooraf gemaakte afspraken zijn daarbij niet vereist, ook een stilzwijgende samenwerking kan leiden tot  bewijs voor medeplegen. Hierbij valt te denken aan het gezamenlijke rijden naar de plaats van inbraak met medeneming van inbrekersgereedschap.

In het geval de medepleger zeer betrokken is geweest bij het treffen van de voorbereidingen voor en het organiseren van het delict, dan kan het onder omstandigheden zo zijn, dat zelfs bij afwezigheid van verdachte bij de uitvoering desalniettemin  medeplegen kan worden aangenomen (bijv. HR 17 november 1981, NJ 1983, 84 m.nt. ThWvV, ook bekend als het zogenaamde Containerdiefstal-arrest).

De samenwerking kan immers zo volledig en nauw zijn dat het min of meer toeval is wie de uiteindelijke uitvoeringshandeling (en) verricht.

Van belang in dit kader is het arrest dat handelt over de schietpartij op de Veghelse school, waarbij voorwaardelijke opzet van vader werd aangenomen ter zake van het door zijn zoon gepleegde delict (het schieten op de leraar en andere aanwezigen) in die zin dat van medeplegen sprake was.

De voorwaardelijke opzet van vader werd onder meer geconstrueerd op het gegeven dat vader het wapen aan zijn zoon had verschaft, hem naar school had gebracht, wetende dat daar op dat moment vele personen aanwezig waren en zijn zoon een ongeoefend schutter is.

Ook hier was de medepleger zelf niet op de plaats delict aanwezig ( HR 17 september 2002, LJN AE6118).

  • Het tweede moment betreft het tijdstip van plegen, de uitvoering, van het strafbare feit.

Als uitgangspunt geldt: hoe groter de rol van verdachte is geweest in de aanloop naar een strafbaar feit, des te minder eisen gesteld behoeven te worden aan de rol van verdachte ten tijde van het delict.

Ook als de verdachte slechts  ondersteunende handelingen bij de uitvoering heeft verricht, kan onder omstandigheden (als de samenwerking voldoende nauw is geweest) bewezenverklaring van medeplegen volgen.

Onder omstandigheden kan een verdachte die aanwezig is bij de uitvoering van het delict en geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, doch zich daarvan niet distantieert, als medepleger worden beschouwd (HR 11 januari 2000, NJ 2000, 28).

Daarentegen leidt de aanwezigheid op de plek van het delict niet vanzelf tot het rechtsvermoeden van samenwerking (zie HR 19 oktober 1993, NJ 1994, 50).

  • Het derde moment betreft de tijd gelegen na uitvoering van het strafbare feit (de nafase).

Handelingen gepleegd na het uitvoeren van het strafbare feit kunnen een indicatie opleveren voor medeplegen, maar zijn op zich genomen onvoldoende om medeplegen aan te nemen.

Zo leert de jurisprudentie dat slechts het vervoeren (bijv. achterop een fiets) van een dader van een strafbaar feit na dat feit, ook bij wetenschap van plegen van dat feit geen medeplegen kan opleveren. Ook het achteraf vervoeren dan wel verdelen  van de buit leidt op zichzelf genomen niet tot het bewijs van medeplegen. In die gevallen kan heling aan de orde zijn.

Van belang voorts nog het medeplegen in relatie tot het veel voorkomende art. 141 Sr (openlijke geweldpleging). Voorheen bevatte dit artikel het bestanddeel ‘met verenigde krachten’, In 2000 is dit bestanddeel gewijzigd in ‘in vereniging’, waardoor de criteria voor het medeplegen van toepassing zijn geworden. Onder het oude criterium gaf de Hoge Raad namelijk een van het medeplegen afwijkende interpretatie.

‘’Handelen na het volvoeren van het strafbaar feit valt niet onder enige deelnemingsvorm. Weliswaar kan dergelijk handelen soms het optreden voor of tijdens het delict in een bepaald ernstiger daglicht stellen, zodat dit optreden daardoor onder een (zwaardere) deelnemingsfiguur kan worden gebracht, maar op zich zelf genomen is accessory after the fact in ons land niet als deelneming strafbaar.

 

Bewijs  perikelen

Mevr. De President en leden van de raad het is U allen bekend, dat bijkans 18 jaren na de gebeurtenissen er  personen zijn gehoord en de vraag is zeer relevant hoeveel overtuiging wij kunnen hebben uit de getuige verklaringen. In het werk van Wagenaar getiteld het herkennen van Iwan en in het werk van E.F.Loftus getiteld  eyewitness testimony  het volgende:

Hetgeen is waargenomen wordt opgeslagen in het geheugen. Algemeen  bekend is  dat de herinneringen afneemt  naarmate het tijds verloop tussen de gebeurtenis en het tijds verloop toeneemt (in ons geval zien we dat de herinneringen juist beter zijn geworden frappant genoeg). Ook hier hebben de schrijvers een verklaring voor.

Ik citeer weer uit het werk. Hetgeen in het geheugen  is opgeslagen kan  tussentijds  worden beïnvloed. Dit kan gebeuren door  informaties achteraf  en door loftus genoemde  intervening thoughts  of the  witness. In tal van gevallen waarin getuigen verklaren  wat zij hebben waargenomen  met betrekking tot een bepaald voorval, hebben zij op allerlei wijzen informatie achteraf over het gebeurde ontvangen.

 

Zo kunnen zij informatie hebben ontvangen via de televisie en radio, kunnen zij kranten berichten over het voorval hebben gelezen en met vrienden over gepraat. Door deze informatie  die de getuige na het voorval verkrijgt kan de herinnering  veranderen en kan zij zelfs gegevens  in het geheugen invoeren die in werkelijkheid niet tijdens de gebeurtenis aanwezig waren. Er vindt dan een onbewuste vermenging plaats van waarneming en informatie achteraf plaats. Deze informatie achteraf kan zowel door verbale als non verbale gegevens worden beïnvloed. Met name in deze zaak is er van af het moment van 8 december met name door Nederland veel berichten gepubliceerd met de bedoeling hun eigen gezicht schoon te wassen. Nederlandse journalisten programma makers hebben niets na gelaten om Nederland te verschonen van  haar rol bij de gebeurtenissen.

Zo is het een feit van algemene bekendheid, dat de lijst van verdachten is opgesteld met medeweten en in samenspraak met een Nederlandse jurist die officieel was aangetrokken als adviseur van de toenmalige regering in deze strafzaak bedoeld wordt de Hr. Spong.

Tegen deze achtergrond zullen de verschillende getuige verklaringen ook worden geanalyseerd en getoetst worden, aan de bewuste en nauwe samenwerking en op elke wijze de hier bedoelde vermenging heeft plaats gevonden.

 

 

 

Mevr. De President, leden van de krijgsraad. De vervolgings ambtenaar heeft een rol toebedeeld aan de groep van zestien, terwijl deze groep van zestien niet behoorde tot  het bevoegd gezag. De door het Openbaar Ministerie toe bedeelde rol aan de groep van zestien   is voornamelijk afgeleid van hetgeen zich in de kranten werd vermeld over de ze groep. Om U een enkel voorbeeld te geven de getuige Vrede zegt te terechtzitting het volgende het lot van de mensen was in handen van  Horp, Bhagwandas en Bouterse.

 

Mevr. De President, leden van de Krijgsraad. De verdediging zal thans citeren uit getuige verklaringen ter terechtzitting en dan  deze verklaringen toetsen aan het geen de vervolgings ambtenaar in zijn requisitoir heeft verwoord. Met name zal de rol van de groep van zestien uit deze verklaringen gehaald moeten worden en bewezen zal worden, dat de rol die is toebedeeld aan deze groep niet klopt, althans niet bewezen is.

Ik neem U mee naar de verklaring van Vrede ter terechtzitting  d.d. 20 maart 2009. Ik citeer …………de vier personen klaagden en wilden  hem spreken. Bouterse was er niet en ze hebben geen gevolg gegeven aan  hun verzoek .  verder verklaart deze getuige het volgende “men heeft tot 17.00 uur geschoten. Ik heb Bouterse op die dag niet gezien. Ik denk niet, dat ik verklaard heb dat Bouterse in het fort was  zolang de mensen werden neer geschoten. Ik kan mij dat niet herinneren. Ik weet niet van waar die verklaring komt  Hij zegt verder “ik ben niet naar Kamperveen Jhonny geweest.

Hij is bij mij gekomen en mij gezegd heeft dat ik een verklaring moest afleggen van  hetgeen ik gezien heb “Ik kan mij niet herinneren als Bouterse in het fort was op 8 december “. Deze verdediging heeft U al voorgehouden op welke wijze  getuige herinneringen kunnen worden vermengd met andere informatie en de ontmoeting van Kamperveen met deze getuige is een voorbeeld. Bovendien Kamperveen moet toch een belang hebben gehad om aan deze getuige voor te houden, dat hij moest verklaren wat hij gezien had. Het is zeer waarschijnlijk, dat uit een gesprek tussen Kamperveen en deze getuige, Kamperveen informatie zou hebben gekregen die belastend kon zijn of als muziek in zijn oren klonk en hij Kamperveen de getuige aanspoorde om het zelfde opnieuw te verklaren.

Op 25 juli 2008 zegt de getuige Flohr Onno het volgende aan Uw gerecht. Nadat de President de getuige heeft gewezen op het  onmiddellijkheids beginsel zegt deze getuige het volgende “ik was op 8 december 1982 wel aanwezig in het fort.

Ik heb Bouterse niet gezien in het fort. Als U mij zegt dat ik bij de Rechter-commissaris  verklaard heb, dat ik niet weet of ik Bouterse gezien heb, moet ik  u zeggen dat ik Bouterse niet gezien heb  in het fort. Ik heb niet gezien dat mensen gebracht werden naar de kamer van Bouterse. Deze getuige zegt, dat hij zelf ook heeft geschoten, doch deze getuige behoort duidelijk niet tot de groep van zestien en is daarmede de  bijzondere rol van de groep van zestien ook ontzenuwd.

 

Deze getuige zegt verder Bouterse was de bevelhebber. De opdrachten kwamen niet van hem. Het kan dat hij ervan op de hoogte was. Ik  heb niet gezien dat de slachtoffers werden voorgeleid bij hem. Ik weet niet wat er bij hem op de kamer werd besproken. De leden van de groep  van zestien  waren daar. Mevr. De President, leden van de krijgsraad ik ga Uw raad vragen om in elk geval vast te houden, dat  in het hele dossier wordt gesproken van slachtoffers en de vraag dient beantwoord te worden indien er sprake is van slachtoffers of  van personen die  in het verlengstuk van een plan waren om het bevoegd gezag om ver te werpen. Ik vraag U om dit vast te houden omdat de verdediging zulks nader zal bespreken. Ook wenst de  verdediging nu reeds nadrukkelijk er op te wijzen dat de vermeende dubbele opzet in elk geval niet uit deze getuige verklaring kan worden afgeleid zoals hierboven uit een gezet. Op vragen van

Mr. Rasoelbaks zegt deze getuige het volgende  Bhagwandas was sport instructeur. Op dat moment leek het alsof hij meer dan Bouterse te zeggen had. Het is niet omdat hij nu wijlen is dat ik zo praat. Ik heb Bouterse, Bhagwandas en Horb niet samen gezien.

Op een vraag van de auditeur zegt deze getuige  op dat moment zag ik Bhagwandas  als degene die  de militaire  besluiten nam. Deze getuige  verder: Op  dat moment zag ik Bhagwandas  als  degene  die de militaire  besluiten nam. Ik weet wel dat er voor 8 december spanningen waren.

 

 

Verder zegt deze getuige, dat hij van Chotkan die de rechterhand was van Horb gehoord had, dat via een entertainment groep de zogenaamde Coney Island een coup gepleegd zou worden. De avond voor 8 december was het stampvol en nadat de mensen waren opgebracht is deze getuige gaan kijken en het was leeg. Deze mededeling van een getuige is van belang om hetgeen hierboven is aangegeven over de bedoelde periode  te adstrueren, immers zal straks blijken, dat er meer getuigen en feiten zijn die aangeven, dat er voorbereidingen werden getroffen voor het omver werpen van het bevoegd gezag. Ik vraag Uw raad deze  feiten aangegeven door een getuige onder  ede voorals nog vast te houden.Toen Bhagwandas de opdracht gaf om te schieten was er een vuurpeleton. Iedereen moest tegelijk vuren.

 

Het was bekend dat Kamperveen Coney Island had laten halen. Horb had gezegd dat de mensen die de coup zouden plegen, met Coney Island zouden meereizen. Horb heeft niets gevraagd aan Kamperveen. Hij zei tegen Kamperveen: begin met uw verklaring”. Op dat moment begon Kamperveen te schrijven. Hij heeft iets over Coney Island geschreven. Niet dat leden van Coney Island een coup zouden plegen. Het woord coup is wel gevallen. Kamperveen heeft het woord geschreven.

Hij zei dat er een coup afkomstig was vanuit de Franse kant.

 

 

 

Mevr. De President, leden van de Krijgsraad na citering van dit deel van een getuige onder ede ga ik Uw raad eveneens vragen om zulks  vast te houden omdat straks zal blijken, dat een andere getuige zulks ook verklaart en dit soort toevalligheden bestaan niet. Bovendien blijkt uit deze getuige verklaring, dat het Kamperveen is die dader informatie verschaft en nu kan op simpele wijze gezegd worden, dat hij dan bang was en onder druk die verklaring heeft afgelegd, echter is het een feit van algemene bekendheid, dat niemand zich zelf zal bezwaren zelfs als je met de dood  wordt bedreigd. We komen op deze getuige verklaring terug. We toetsen thans slechts de tesamen en in vereniging, immers het ligt op de weg van de vervolgings ambtenaar om uit de inhoud van de limitatief opgesomde bewijs middelen  te bewijzen, dat er afspraken gemaakt zijn. De enkele omstandigheid, dat de groep van zestien of de echo compagnie aanwezig was kan niet worden aangemerkt als het handelen zoals is gehandeld.

De verdediging wenst nu reeds op te merken, dat overheids  handelen  in het  redresseren van strafbare feiten niet altijd correct is echter het niet correct handelen betekent niet dat het strafwaardig is. Om U voorbeelden te geven van dat  soort overheids handelen noem ik U het optreden van de politie bij de beruchte Sampie, die koelbloedig terwijl hij in een sloot lag is doodgeschoten. Ik noem U de aanhouding  van de comparant van Sampie ene Severinio van wie ik de advocaat was.

Deze Severinio  kwam uit zijn huis met zijn handen in de lucht en werd koelbloedig doodgeschoten.

Ik  continueer het citeren uit processen verbaal. Ik neem U mee naar het verhoor van Mohammed Said  d.d. 20 februari  2009

Ik heb Bouterse niet zelf gezien  in het fort. Ik meen te weten dat Bhagwandas  op 8 december in het fort was. Het was niet gebruikelijk dat hij daar was. Dat hij de machtigste man was toen. Ik heb van niemand gehoord dat Bouterse in het fort was toen.

Nadat  aan deze getuige delen uit het verhoor bij Ristie was voorgehouden zegt hij ter terechtzitting .ik heb Bouterse op die dag niet gezien. Alles draaide om het bataljon. We hadden toen dertijd  een bataljons commandant. Dat was Bhagwandas .

Ik neem U mee naar het verhoor van Djojoatmo d.d. 20 maart 2009. Hij bevond zich voor zeven uur in het fort, was op appel. Hij zegt, de leden van de groep van 16 waren niet de enigen die bij de Bevelhebber kwamen. Bouterse kreeg ook bezoek van burgers. Toen ik Bhagwandas op en neer zag lopen, wist ik niet of Bouterse aanwezig was in het Fort. Het is mij niet bekend of Bouterse toen in het Fort was. Ik blijf bij mijn verklaring dat Bhagwandas de mededeling deed van het uittesten van wapens.

Ik neem U thans mee naar het verhoor van Geer. Zij zegt onder andere het volgende en wel  voornamelijk in het park

Frank Wijngaarde was het niet eens met de politieke situatie destijds. Hij zei dat er veranderingen moesten komen, maar geen gewelddadige veranderingen.

 

Dit deel citeert de verdediging om ook vast te houden, immers  bij de bespreking van de omstandigheden zullen deze toevalligheden en Coney Island en de verklaring van van Haperen en anderen een beeld geven van de vermeend e slachtoffers. De tezamen  nader besprekend zegt deze getuige het volgende: Het kan dat Bouterse niet lang na mij is vertrokken. Ik heb Bhagwandas gezien. Ik heb Ruimveld gezien. Ik heb Bouterse niet gezien, noch gesproken. Ik heb ook niet via intercom met Bouterse gesproken. Op 8 december 1982 toen ik de schoten hoorde, was ik op straat voor de deur van zijn huis. Ik kreeg het gevoel dat Bouterse daar boven was en niet kon moven. Toen ik daar wegging leefden de mensen nog. Derby was reeds vertrokken. Mevr. De President, leden van de krijgsraad. Deze getuige verklaring is van belang omdat door deze verklaring  vast is komen te staan, dat op het moment toen Derby wegging de mensen nog leefden. Bovendien ontzenuwd het de tezamen en in vereniging. Iemand die zelf niet kan moven zoals de getuige dat zegt kan geen plan beramen met dit gevolg, wel het plan om de mensen op te brengen.

 

Op 17 april  2009 zegt de getuige Tirtopawiro Paimin die toen behoorde tot de echo compagnie  het volgende;

Ik heb Bouterse omstreeks 06.15 uur gezien. Daarna heb ik hem niet meer gezien.

 

 

 

Mevr. De President, leden van de krijgsraad uit  het onderzoek  ter terechtzitting zal Uw raad het bewijs moeten putten, daarom is het van belang om alle verhoren van getuigen die door Uw raad zijn gehoord rustig te analyseren en na te gaan indien uit die verklaringen het bewijs van de tezamen en in vereniging geput kan worden. De verdediging  zal  na dat alle getuigen aan de beurt zijn geweest  die  verklaringen ook toetsen.

 

De verdediging neemt Uw raad mee naar 22 juni 2009 het verhoor van Jankipersadsing: Ik heb Bouterse tegen 13.00 uur op 8 december 1982 zien vertrekken. Tijdens zijn afwezigheid is er niet geschoten. Hij kwam omstreeks 19.00 uur terug.

Vanuit die donkere positie zou je dan kunnen zien wat er hier binnen gebeurde. Er was iets opengemaakt. Bouterse en Horb hadden ongeveer dezelfde lengte. Derby was korter. Ze hieven hun glazen.  Ik weet niet wie op de mensen geschoten heeft. Ze zeiden dat het de lijfwachten van Bouterse waren. Op vragen van U zegt de getuige vervolgens het volgende: Ik zag Bouterse omstreeks 13.00 uur het Fort verlaten om vervolgens op dezelfde dag rond 19.00 uur bij schemering het Fort binnen te komen, achtervolgd door Horb. Rond 20.00 uur – 21.00 uur heb ik eerst Horb zien vertrekken, gevolgd door Bouterse en zijn lijfwachten. Mevr. De President het belang van al deze getuige verklaringen is dat de rol van de groep van zestien zoals gebracht door de vervolgings ambtenaar niet aanwezig blijkt te zijn.

 

Bovendien zal straks blijken, dat in elk geval mijn cliënt niet het gevolg, dat hem wordt verweten heeft gewild. Zelfs als zulks het geval zou zijn dan nog heeft de verdediging U reeds aangegeven wat de gevolgen van regime change wel konden zijn en, dat de latere slachtoffers wel betrokken waren bij het omverwerpen van het bevoegd gezag en dit hen noodlottig is geworden. Het is niet zo dat zij met wapens zouden staan op de barricades, neen zij zouden als bruggen hoofd fungeren. De verdediging zal dat bewijs zo aanstonds na alle getuige verklaringen op een rij te hebben gezet  aan Uw raad bewijzen. De verdediging  heeft U al voorgehouden, dat overheids handelen  indien noodzakelijk niet altijd zuiver hoeft te zijn, althans dat die overheid bij het noodzakelijk handelen fouten kan maken.

Ik neem Uw raad mee naar het verhoor van Tirtopawiro Paimin van dezelfde datum: Op 7 december 1982 was ik om 06.15 uur op het werk en heb ik Bouterse gezien. Op 8 december 1982 heb ik Bouterse niet gezien. Mevr. de President en leden van de krijgsraad. Ik breng U in herinnering de perikelen rondom het verhoor van deze getuige die ter terechtzitting betwist dat hij door twee verbalisanten is gehoord en ook bij confrontatie. Uit het verhoor van Bottse ter terechtzitting later in dit pleidooi en het verhoor van Harvey Naarendorp ter terechtzitting zal duidelijk worden waarom slechts de verhoren ter terechtzitting worden gebruikt.

 

Harvey Naarendorp heeft het verhoor bij de R.C. van materiële valsheid beticht, terwijl  zoals straks zal blijken Bottse de verklaring bij de R.C. niet heeft getekend om dat hij vond, dat de R.C. gesuggereerde zaken heeft opgenomen en weigerde die te corrigeren. Ik neem U mee naar het verhoor van Venoaks Henry Armsand van dezelfde datum. In zijn verhoor begint in elk geval deze getuige aan te geven dat de Amerikanen  reeds in oktober bezig waren. Hij geeft de invloed van de Amerikanen op Horb aan en vertelt het verhaal van de prepaid  paarden en voorts geeft hij de verwijdering aan. Uit andere bescheiden zal straks blijken wat de rol van deze slachtoffers waren  bij  de geplande invasie. Ik citeer enkele delen om het bovenstaande  te bewijzen Voor 19.00 uur was ik bij Rita thuis. De wacht was voor. Ze zei me dat Bouterse sliep. Rita zei: ” kom even door”. Ze vroeg of het dringend was. Ze moest Bouterse tegen 19.30 uur wakker maken. Ik heb toen in mijn voertuig een dutje gedaan tot de wacht mij riep. Ik heb toen met Bouterse gesproken. Ik heb hem gezegd dat ik zijn vrouw en kinderen heb meegenomen vanuit het Fort en dat ik hen te Lelydorp heb afgezet. Ik vroeg of hij wat kon doen met betrekking tot Derby en hij heeft bevestigend geknikt. Hij vroeg me of Mungra, de directeur van de SLM, met mij had gesproken omtrent het gereedhouden van een vliegtuig om mensen af te voeren of te deporteren. Bhagwandas zou het in orde maken. Ik zei dat Mungra mij niets heeft gezegd. Binnen de SLM wist niemand iets erover en Mungra was niet te bereiken.

Je ziet de spanning de weken ervoor. De spanning was om te snijden het kon beide kanten opgaan.

Als je niets te zoeken hebt, waarom zou je ermee bemoeien. Om er dieper in te geraken? Er waren twee kampen tegenover elkaar. Het kon escaleren. De burgerij stond aan de ene kant en aan de andere kant waren de militairen.

Er was een verschil in opvatting en meningen. Dat kan mede een rol hebben gespeeld. Ik denk dat er een diepere oorzaak was op politiek vlak.

Hij werd op handen gedragen door die Amerikanen. Dat paard moest ik inklaren. Het was een donker stevig paard tussen eind oktober en begin november moet dat zijn geweest. Het Paard is met een truck vervoerd naar de stad. De documenten, waaronder de vrachtbrieven en de gezondheidspapieren, toonden aan dat het uit Amerika kwam.

Grote organisatie die werkte onder gefingeerde namen. Wie de afzender was, weet ik niet. De manier hoe Horb een ommezwaai maakte was opmerkelijk.

Roy kennende moest hij een helpende hand hebben. De manier waarop Roy zich wegmaakte voor collega’s. De relatie met Slagveer was zeer slecht

Horb dreef weg van z ‘n vrienden. Hij had hulp nodig. Dat was ook door Amerika bevestigd door middel van foto’s en documentatie. Er waren compromitterende foto’s van Horb. Sexueel compromitterend. Nadat Horb de tweede keer naar Amerika was gegaan, na de 8 december gebeurtenissen rond kerst zijn twee of drie pakketten met foto’s in diverse brievenbussen gedeponeerd.

Het waren foto’s inhoudende homosexuele praktijken met Amerikanen. Aan de spanningen in het land was het duidelijk dat er een contracoup op komst was. Er waren diverse ontwikkelingen. Nee ik had geen harde informatie van een contracoup.

 

Atta Mungra en anderen wisten er meer van. Een vriend bij de inlichtingen dienst Nunes zei ook dat de situatie er niet goed uitzag.

Bouterse zei dat Derby tegen 21.00 uur of 22.00 uur bij hem moest zijn op 10 of 11 december. De algemene zaken werden besproken. Het was zeer gemoedelijk waar ik bij zat. Daarna heb ik mij terug getrokken buiten op het balkon. In mijn bijzijn is er niet over de 8 december gebeurtenissen gesproken. Derby en Bouterse trokken zich terug zij hebben lang met elkaar gesproken. Ik was tegen 04.00 uur  vertrokken . Ik heb Rita rond 19.00 uur gesproken. Ze zei dat Bouterse sliep. Ik was tegen 19.00 uur bij Rita thuis. Ze zei dat ze Bouterse tegen 19.30 uur wakker moest maken, omdat hij om 20.00 uur in het Fort moest zijn.

Klopt er was een coup dreiging. Het kan dat Horb de rotte appel was in het geheel. Misschien om het vege lijf te redden. Militair strategisch kan het. Ik heb Mungra niet bereikt. Bij het regelen van een vliegtuig moet de luchtvaartdienst aan te pas komen. Er was niets om me te wantrouwen. Bouterse zei dat Bhagwandas mij zou contacten. Ik denk wel dat er een plan gemaakt is om de coup te ontzenuwen. Ik weet niet of het goed plan was.

Ik kende Horb en hij was niet in staat subversieve activiteiten alleen uit te voeren. Er is met betrekking tot het tijdstip een confrontatie geweest tussen de getuige Venoaks  en Jankipersadsing, waarbij beide zijn blijven volharden in hun verklaring.

Ik neem U mee naar het verhoor van  Pika d.d. 24 juni 2009. Op vragen van het toenmalig lid Mr. Rodriques zegt de getuige: ik heb op die dag Bouterse niet gezien;  ik heb de lijfwachten van Bouterse ook niet gezien. Ik kende vijf of zes van hen. Ik zei dat ik aannam dat Bouterse niet in het Fort was op 8 december 1982, omdat van de vijf of zes lijfwachten die ik kende van mijn lichting, geen van hen er was op die dag.

De getuige Joeroeja van dezelfde datum  zegt het volgende: Ik weet niet meer bij wie ik mij destijds heb aangemeld. Ik denk bij de wacht. Noch Bouterse, noch Horb, noch Bhagwandas waren er. Ik kwam uiteindelijk bij Luitenant Gorré terecht en ik mocht weer in dienst treden. Hij heeft niet met mij gesproken over de coup. Ik ben niet zozeer bekend met de groep van zestien. Ik weet niet of ze met elkaar in conclaaf waren. Ik kan mij niet heugen of ik schaduwen heb gezien in het kantoor van Bouterse. De leden van de groep van zestien kwamen niet op bezoek bij Bouterse. Soms kwamen ze wel bij Bouterse.

De getuigen Rahman – Henar en de getuige Rahman Joyce zullen niet besproken worden, omdat reeds gebleken is uit het requisitoir van de vervolgings ambtenaar, dat zij het niet zo nauw nemen met de waarheid. Ik verwijs naar het requisitoir van Themen, Imro. Toch is een zin in de verklaring van Rahman Joyce van belang, namelijk ze zegt ik heb het boek van Jan Sariman gelezen, hij was samen met Horb opgesloten.

Zie daar de hier aangehaalde vermenging van  feiten in het geheugen. Thans de getuigenis van Monsels  Samuel Rudolf.

Ik heb mijn verklaring niet ondertekend, omdat ik het niet eens was met de verklaring. Er werd geprobeerd haast te maken en bij een aantal passages heeft de onderzoeksrechter wat gesuggereerd en getracht dat op mijn conto te schrijven. Ik heb  het wel kenbaar gemaakt dat ik het niet eens was. Er was wel vaker sprake van een dreiging. Die zou uit Frans Guyana kunnen komen. Ook Nederland en Amerika werden meegenomen in de gesprekken.

Waarschijnlijk is het mij door Bhagwandas voorgehouden dat er een verhoogde paraatheid was. Ik was goed bevriend met Gorre destijds.

Ik weet niet hoe laat ik Bouterse heb gezien. In de briefing van de heer Bhagwandas werden de mensen bestempeld als staatsgevaarlijke mensen. De opdracht is centraal gegeven, dat de communicatielijnen moesten worden doorgesneden en dat wij ze levend moesten terugbrengen. Gorré was buiten en hij zei zoiets als: ‘fa a gers deng mang e kir’ deng man ? Iedereen had die gedachte, maar hij was de enige die het heeft uitgesproken. Hij kwam op dat moment van buiten. We hadden geen zekerheid, maar we dachten dat iets goed fout ging. Gorré was een van de hogere mannen in het Fort.

Toen wij begrepen dat de mensen werden afgemaakt en hij er niets van wist, hebben wij de conclusie getrokken dat hij er niet bij hoorde. Ik kreeg de indruk dat hij ook verrast was door de schoten.

Er is een paar keer geschoten. Het is niet zo geweest dat wij een stel koelbloedige mensen waren die mensen zouden halen om ze te laten doden.

We hebben schietoefeningen gedaan op Zanderij. Daarna kwam er een briefing over staatsgevaarlijke mensen. Dat was een term waarmee wij constant werden gevoed. Met staatsgevaarlijke mensen werd bedoeld, mensen die het bewind omver wilden werpen. Bij de briefing werd het woord gevoerd door Bhagwandas.

Mevr. De President reeds is onder het hoofdstuk  de staatsrechtelijke positie van mijn cliënt  het een en ander gezegd, echter zal bij de bespreking van de omstandigheden waaronder het een en ander zich heeft afgespeeld in die periode nader worden besproken. Om het bewijs daartoe te leveren, met name dat de latere slachtoffers bruggen hoofden waren van personen die subversieve activiteiten wensten te plegen en het bewijs daartoe wenst de verdediging middels getuige verklaringen te leveren. De noodzaak om delen uit getuige verklaringen thans ook aan U voor te houden  bestaat nog steeds en zal daarmede, dan ook worden voortgegaan.

De verdediging neemt U mee naar het verhoor van De Miranda Hedy  d.d. 1 december 2009.

Wat zij met betrekking tot andere verdachten heeft gezegd blijken  niet waar te zijn.

De verhalen rondom Tjon Kie Sim blijken ook gelogen te zijn. Wat wel van belang is, is het volgende: Wij dachten dat ze hem het land zouden uitgooien. Hij was een journalist bij Radio ABC samen met Antonius en Kamperveen. Hij verzorgde een programma genaamd ‘Dingen van de Dag’.

Waarom dacht  de echtgenote, dat hij het land uitgezet zou worden. Ik heb gehoord van de ziener Houdini. Ik weet niet of hij in hun programma is gehoord. Hij is een illusionist. Ik heb hem nooit horen praten. Ik ken alleen z’n naam. Houdini is de artiesten naam van Arthur Playfair  kawina muzikant  bespeler van de kwatro  en kenner van de winti kultuur. Begin december is een interview afgenomen door Wijngaarde de hele dag bij wijze van flashbericht uitgezonden  en zou er door deze ziener gezegd zijn, dat het land schoongewassen zou worden en zag hij een enorm bloedbad. In elk geval staat vast  dat deze getuige de bedoelde Houdini kent en omdat zij niet altijd naar de programma’s luisterde kan zij het gemist hebben. Ik neem U mee naar het verhoor van mevr. Samson de partner van Daal

Men wilde weer terug naar de democratie. Het werd steeds grimmiger in het land. Haakmat was de adviseur van de Moederbond. Ik weet niet hoe lang er op zijn huis is geschoten. Cyriel heeft Haakmat geholpen om te vluchten via Albina. Horb heeft naderhand aan Cyriel verteld, dat hij op het huis van Haakmat had geschoten om hem duidelijk te maken dat hij moest vluchten.

 

 Ik breng U in herinnering het verhoor van Venoaks en wordt er geschoten om te vluchten, terwijl zulk ook kon door hem dat mondeling door te geven. Het schieten had een doel namelijk onrust in de samenleving, daarna helpt Cyrill Haakmat vluchten en Haakmat duikt weer op bij de binnenlandse oorlog. Leckie en Daal hadden contact met elkaar op vakbondsgebied.

De verdediging stelt  dit nu reeds vast, omdat later in dit pleidooi bewezen zal worden, dat de mensen niet willekeurig zijn opgehaald. Ik breng U in herinnering uit het verhoor van Does, dat hij aangeeft, dat een Braziliaanse  Generaal genaamd Venturini  on uitgenodigd midden in de nacht  is ingevlogen naar Suriname en het verzoek is gedaan om de Cubanen het land uit te zetten. Mevr. De President een Genraal die midden in de nacht op uitgenodigd komt wil een boodschap brengen van iemand anders en wel de Amerikanen, dat is de enige conclusie die je kan trekken zoals ook uit andere bronnen later zal blijken.

Ik neem U mee naar het verhoor van Stijfmeyer Leendert van 7 januari 2010.

De burgers werden niet door leden van de Echo Compagnie naar het kantoor van Bouterse gebracht. Ik kende die burgers niet. Het was een gespannen situatie. Als je in confrontatie kwam met Bhagwandas had je problemen. Bhagwandas was een heel fanatieke jongeman. Hij was heel moeilijk. Hij was belast met het binnenbrengen van mensen. Ik heb Bouterse op die dag niet gezien.

Ik was geen vertrouweling van Gorré. Die ‘stootgroep’ zegt mij niets. Ik weet niet van waar Jankipersadsingh dat heeft.

Ik kan mij dat niet heugen. Ik heb drie dagen wacht gehouden van negen tot twaalf uur.

 

Ik denk niet dat de operationele commandant hoger is dan de Bevelhebber. Maar, de operationele commandant is de man die de beslissingen neemt. Ik was bekend met de ruimte van de Bevelhebber. Niet een ieder kwam daar, alleen degenen die daartoe toestemming hadden. Het was het kantoor van Bouterse, maar Bhagwandas kwam naar binnen. Ik kan mij niet heugen of Bhagwandas met de burgers naar het kantoor ging en terug. Ik kan mij niet herinneren of Lewis er was op 7, 8 en 9 december 1982. Ik denk dat de verbalisanten mij hebben geholpen om de tijdstippen door te geven. Indien zaken op je afkomen, wil je dat zo snel mogelijk van je af doen. Er was een spanning tussen mij en de mensen. Anderen wilden een typemachine op mij slaan.

Ik ben niet gedwongen geworden, maar er was wel een zware spanning tussen Atipa en ik . Hij zou een typemachine op mijn kop gooien. Als ik zei: ” ik weet het niet”, zei hij : ” fa ie no kan sabie”. ” moh nak a typmachine bos joe ede”. Ik weet niet of ik de veiligheidsagenten Lewis en Dijksteel heb gezien; op het moment dat er geschoten werd en daarvoor heb ik Bouterse niet gezien. Ik twijfel of ik de veiligheidsagenten van Bouterse heb gezien.

Als ik in de barakken zit en er zou een aanval zijn op het Fort, zou ik het misschien kunnen meemaken als je die inslagen hoort, maar niet kunnen zien. De mededeling van Martowidjojo was, dat de mensen van de coup op de vlucht waren dood geschoten.

Volgens mij was ik vanaf 8 december 1982 geconsigneerd; ik heb nooit een vergadering van Bouterse meegemaakt waar zij moorden beraamden. Ik heb Bouterse op 8 december 1982 niet gezien in het Fort. Ik denk dat als Bouterse in het Fort zou komen ik hem zou zien.  

Men heeft ons gedwongen om een verklaring af te leggen. Mevr. De President, leden van de krijgsraad de verdediging heeft U al eerder  aangegeven op welke wijze verklaringen bij de R.C. en of bij de  verbalisanten tot stand zijn gekomen. Deze getuige hebben geen enkele belang om aan Uw raad aan te geven op welke wijze Atipa de verhoren heeft afgenomen.

 

Thans delen uit het verhoor van mevr.  Ho Kan  You Lilian  d.d. 15 februari 2010

Ik heb het OAS rapport destijds ook gelezen en naar mijn mening was dat een juiste weergave. Ik ben ingegaan op de Associatie zoals genoemd als een brede maatschappelijke groepering die zich verzette tegen de gang van zaken.

Maar er werd wel gezegd dat hij heel voorzichtig moest zijn, door mensen om hem heen en ook dat het een rode kerst zou worden. Er moest rekening gehouden met het feit dat dingen wel uit de hand zou kunnen lopen. Er werd gezegd dat repressief zou kunnen worden op getreden .We waren op vakantie in Amerika en toen zei Kenneth dat hij er alles aan zou doen om Suriname weer leefbaar te maken.

Mijn man had weleens contact met Haakmat maar niet vaak. Suriname is klein je komt weleens iemand tegen als je nou wilt of niet. Ik zei niet “ter voorkoming van een Rode Kerst”. Ik zei “er waren geruchten over een rode kerst”.

Uit dit verhoor is in elk geval Amerika weer in beeld en Suriname zou leefbaar gemaakt worden met de inzet van Kenneth.

 

Ik neem U mee naar het verhoor van Hoost.

Hij was voorstander van de terugkeer van het militair regime naar de kazerne. Mijn vader zei dat Ik Baboeram moest bellen om te vragen wat er aan de hand was. Mijn vader werkte samen met Haakmat, ze hadden samen een advocatenkantoor. Mevr. De President, leden van de Krijgsraad deze citering is van belang voor het vervolg van het pleidooi, immers uit andere officiële bronnen zal straks blijken, dat er  vergaderingen werden gehouden om het bevoegd gezag om ver te werpen.

Ik neem U thans mee naar het verhoor van Roozendaal in zijn hoedanigheid als getuige: Ik weet niet of er een bespreking was. Ik heb geen opdracht gehad om gebouwen op te blazen . Ik heb Bouterse op die dag niet gezien. Ik was niet in een doodseskader.

Ik heb een opdracht gehad.

 Horb en Bouterse waren de legerleiders en stonden bekend als het  militair gezag.

Ik heb Bouterse niet gezien. Er zijn mensen in mijn huis geweest om te vergaderen met Bouterse. Tilakdharie, Sanijoe en Lachman waren enkele van de personen. We kregen geen opdrachten van Bouterse. De groep had niets te zeggen. We zaten niet in een moordeskader

 

Op vragen van de raadsman antwoordt de getuige -zakelijk weergegeven -als volgt:

Ik heb Bouterse niet gezien. Ik weet niet of er is vergaderd. Ik heb niet gevraagd om mensen op te halen. Thans  delen uit het verhoor van Derby Susanna  d.d.  13 mei 2010  zij zegt, dat de studenten vereniging kontakt had met de H. Derby en voorts dat zij niets weet van een ontmoeting na 8 december 1982 tussen mijn cliënt en de Hr. Derby.

Mevr. De President en leden van de krijgsraad, thans  verhoren van de navolgende getuigen te weten:  Brondenstein, Gefferie en Dijksteel d.d. 19 november 2010. Al deze getuigen hebben aangegeven, dat zij nimmer met mijn cliënt hebben vergaderd en noch hebben zij enig opdracht gehad van mijn cliënt. Mevr. De President de getuigenissen van deze getuigen is van belang, immers zij zijn als verdachten gehoord en als getuigen en zal straks in het hierna volgende de werking van art.327 lid 4r nader worden besproken. Ook hebben alle drie getuigen aangegeven, dat zij opdrachten kregen van Bhagwandas. Thans de getuige Dendoe  d.d. 17 december 2010. Ik heb niet op 8, 9 of 10 december 1982 tezamen en in vereniging met Bouterse misdrijven gepleegd. Ik heb ook geen plannen beraamd om misdrijven te plegen. Ik ben ook niet in de gelegenheid gesteld of gevraagd door Bouterse om misdrijven te plegen. Bouterse heeft mij ook geen wapens en munitie gegeven. Mevr. De President, leden van het Hof de  verdediging zal alle getuige verklaringen voor zover van belang met U doornemen, en wel omdat ons wetboek met name het bewijs recht ons verplicht om uitsluitend  uit het onderzoek ter terechtzitting schuld en of onschuld en de omstandigheden  waaronder een strafbaar feit wel of niet zou zijn begaan aan U te presenteren en U  gehouden bent uw beraadslagingen te concentreren aan dat onderzoek en uitsluitend dat onderzoek.

Thans het verhoor van Graanoogst  d.d. 7 maart 2011 .

In het Leger was had ik vernomen van de plannen die toen beraamd werden, om het toen bestaande wettig gezag omver te werpen. Naderhand heb ik ook CIA rapporten gelezen over groepen die werden voorbereid om via de buurlanden, Suriname binnen te vallen.

Over de handelingen van de CIA heb ik achteraf gehoord. Het veiligheidsbeleid was in handen van de Legerleiding. Het ingrijpen was nodig.

 

 De getuige antwoordt op de vragen van mr.Rodrigues als volgt:

Het top Van de Legerleiding bestond uit Bouterse, Horb en Fernandes. Ingrijpen was noodzakelijk. De Legerleiding heeft het ingrijpen geëffectueerd. De strongholds moesten worden’ weggehaald. Wanneer je als Legerleiding informatie hebt van dit gehalte, moet je ervoor zorgen dat je de haarden arresteert. Indien ik goed naar Bouterse heb geluisterd, is dat ook niet gebeurd in zijn geval en ik geloof hem op zijn woord. Hij heeft ook niet het bevel gegeven aan de mensen om de trekker over te halen. Derby is één van de toen opgebrachten die het Fort heeft verlaten, nadat Bouterse zich heeft verzet. Bouterse is ook degene geweest die de opdracht heeft gegeven aan de toenmalige Procureur – Generaal om een onderzoek in te stellen in de zaak. Waarschijnlijk voordat de Bevelhebber terug was in het Fort was het grote kwaad reeds geschied. Toen hij er was heeft hij dus kunnen voorkomen dat Derby hetzelfde lot is overkomen.

De reden waarom Derby de plaats nog heeft kunnen verlaten is, omdat Bouterse als hoogste man er een stokje voor heeft kunnen steken.Waarschijnlijk heeft iemand onbevoegdelijk het bevel gegeven om de trekker over te halen.

 Ik weet niets van het gegeven dat de groep van zestien een speciale positie had

De getuige Zeeuw  d.d. 30 maart 2011. De getuige antwoordt op de vragen van de President als volgt:

Het klopt, ik heb gezegd Bouterse was niet daar, daarmee bedoel ik dat Bouterse niet in het Fort Zeelandia was. Ik heb hem niet gezien in het Fort Zeelandia. De hele periode van 7, 8 en 9 december 1982 heb ik hem niet gezien. De verdediging zal delen uit het verhoor van Brahim aan U voorhouden. De verdediging acht zulks van belang en wel in verband en in samenhang met het onderzoek door Doorson verricht en zijn verhoor ter terechtzitting. De getuigenis van Doorson volgt zo meteen: Ik ben naar de bank gegaan en gaan zoeken. Dat was misschien in 1995, 1996 of 1997. Doorson gaf mij aan dat het tijd was en ik wist gelijk dat de tijd was aangebroken om dat stuk of te geven. We stonden voor een groot vraagteken. Ik weet niet of het dossier bij mevrouw Labadie terecht is gekomen. Ik heb nooit met mevrouw Labadie geproken.

Uit het verhoor van Dooorson

Horb werd verweten dat hij collaboreerde met Kamperveen. Hij voelde zich in het nauw gedreven. De constructie dat hij wist over plannen van een invasie, kan ik mij niet herinneren. Horb heeft mij gezegd dat Bouterse er niet bij was, omdat hij die morgen door Bouterse is opgeroepen en gevraagd om Derby mee te nemen.

Wanneer een buitenlandse mogendheid van plan is om een invasie te plegen is het meestal zo dat ze vooraf personen in Suriname gaan betrekken. Het kan zijn nadat mensen als Kamperveen, Oemrawsings hun namen als bruggenhoofden zijn genoemd. Dit soort invasies gaan vaak gepaard met veel bloed vergieten. Horb zei dat hij die informatie van Derby kreeg. Horb zei dat er vergaderingen werden gehouden. Volgens  Horb was Derby tegen een invasie. Derby was wel op de plek waar er vergaderd werd over de invasies. Ik wist dat er een invasie zou komen. Vast staat dat Derby niet wilde dat buitenlanders hier in Suriname zouden komen om bloed te vergieten. Als het in december zou gebeuren, weet ik niet. Chin A Sen zei ook dat er een invasie op komst was. Hij had het van Derby vernomen en hij was ertegen het kan dat de vijftien mensen die dood zijn  banden hadden. Ik heb dingen besproken en conclusies getrokken. Die 15 mensen waren vrienden van elkaar. Alle informatie die ik had verzameld had waarde, anders zou ik het niet in bewaring geven. Er waren veel namen. We riepen het de dodenlijst. Het ging ongeveer om 60 personen.

Die vijftien  namen waren er ook bij. Horb zei dat Bouterse de baas was. Ja, bij de daadwerkelijke levensberovingen was hij er niet bij. Ja, Horb had twee militairen gebracht. Ze waren gewone militairen. Ze kregen de opdracht om te schieten van Paul Bhagwandas. De kern van het dossier was alles wat er rond die periode gebeurd was.

Het was een lijvig  dossier informatie dat er een invasie op gang was, maar gaf die informatie aan Horb.  De regeringen van Nederland en Amerika waren van plan een invasie te plegen in Suriname. Dat was op grond van verkregen informatie. Die filmopname is van tevoren opgemaakt. Bij de dood van die mensen was Horb niet aanwezig. Ik had hem gevraagd of Bouterse daar aanwezig was. Hij zei dat Bouterse de baas is. Ik heb die jongens van het vuur peleton gevraagd of Bouterse aanwezig was en ze hebben het alleen over Commandant Bhagwandas gehad. Ik heb geen harde informatie dat Bouterse daar was.

U praat over de Nederlandse Ambassade, maar dan zouden zij iemand moeten hebben gehad die tot de dossiers kon komen. Los van het feit dat de Nederlandse Ambassade erbij is gekomen bij de planning van de invasie, heb ik geen contact kunnen leggen met de Nederlande Ambassade sec en de drie organen bij de DSB. Ik denk niet dat Bouterse toegang had tot de DSB. Indien hij toegang had zou meneer Brahim dat zeggen.

Uit het verhoor van Gilds  halen we, dat hij  wel gehoord had van Coney Island en een contra coup uit die hoek, echter had hij geen harde informatie. Uit het verhoor van Doorson bij de R.C. d.d. 13 februari 2001 zegt hij, Doorson als getuige, ook het zelfde.

Hij heeft de rol van Derby uitgelegd, namelijk het verschaffen van informatie en dat er een buitenlandse invasie  op til was.

Mevr. De President en leden van het Hof. De verdediging zal nog doorgaan met de getuigen verhoren bij de R.C.. Ik breng U in herinnering het verhoor van De Freitas toen Auditeur Militair. Zakelijk zegt hij, dat hij kennis draagt van een onderzoek in opdracht van de toenmalige P.G. en verder, dat Bouterse toen aan hem gezegd moet hebben, dat geheel in strijd met zijn instructies de mensen zijn doodgeschoten. Kharpatoe Chandrikapersad zegt in zijn verhoor d.d.15 juni 2001 bij de R.C., dat hij niet zeker weet als Bouterse in het Fort was. Ook Gilds heeft geen verklaring voor het feit, dat het gesprek tussen mijn cliënt en Derby op 10 december 1982    geen enkele informatie aan hem is verstrekt. Mevr. De President, leden van de krijgsraad, alvorens ik  het requisitoir zeker op het onderdeel van de positie van de groep van zestien  analyserend met u door neem, moet ik het bewijsrecht en de wijze van vergaren van bewijs met u bespreken.

Mevr. De President en leden van de krijgsraad. Het is bij U bekend, dat het strafrecht behoort tot het domein van het publiek recht, hetgeen met zich meebrengt dat er geen enkele twijfel mag zijn  indien u overgaat tot een veroordeling, immers veroordelen van onschuldigen is even erg als het niet bestraffen van schuldigen.

Nu vastgelegd is en bij ons allen bekend is dat het strafrecht behoort tot het publiek recht en dus dient om de algemene belangen te behartigen. Misplaatste behandeling door de Staat is dus  inherrent aan de plaats die het strafrecht inneemt in ons bestel. Verdachten moeten namelijk gevrijwaard worden van misplaatste veroordeling en dit kan als er heel strikte eisen worden gesteld aan het bewijs. Strafrechtspleging is geen spel van vermoedens, maar bittere ernst. Strafpleging gaat niet zonder zekerheid.

Verdachten hoeven niet mee te werken aan hun veroordeling  en moet er nu er geen sprake is van vermoedens moet het bewijs niet alleen wettig maar ook overtuigend zijn, wil een rechter kunnen veroordelen. Wat betekent bewijs. Bewijs betekent in dit verband en ook algemeen in de strafrechtspleging aanvaard het bewijzen van historische feiten, die en bedoeld wordt historische feiten zoals die vermeld zijn in de tenlaste legging. Bewijs betekent dus niet alleen die historische feiten maar ook moet er schuld worden aangetoond.

Bewijs van historische feiten moet herleid kunnen worden uit  beschikbare bewijs materiaal.

Uit Uw uitgangspunt bekeken en volgens ons wetboek van strafrecht kunnen we het bewijs in vier categorieën verdelen. Hr. Rechter ik heb het niet over de bewijs middelen. Ik verdeel de bewijs middelen in vier categorieën namelijk

  1. direct bewijs door eigen waarneming door de rechter. Dit soort bewijs komt bijna zelden voor of het moet gaan om een delict begaan in de rechtszaal.
  2. bewijs door eigen waarneming van getuigen, dit komt vaker voor maar haar betrouwbaarheid moet verankering vinden in het dossier en ander bewijs materiaal.
  3. indirect bewijs zoals sporen.
  4. bewijs door getuigen over indirect bewijs u denke aan deskundigen.

Strikt genomen mevr. De President kan het bewijs dus alleen met zekerheid worden geleverd als alle andere mogelijke verklaringen  als alle andere mogelijkheden zijn uitgesloten. In ons bewijs recht  wordt dat heel vaak tot uitdrukking gebracht middels de eisen van bewijs minima, immers de Rechter moet tot de schuldigverklaring komen, dus tot overtuiging komen op basis van wetenschap. Het mag geen natte vinger werk zijn en die overtuiging van de rechter moet toetsbaar zijn en dus moet het een product van wetenschap zijn. Benthem zegt in het Engels het volgende over bewijs, The field of evidence is the field of knowledge.

De vervolgings ambtenaar heeft gemeend de groep van zestien een  elite eenheid te noemen en die kwalificatie volgens hem afkomstig is van leden van de groep zelf. Bouterse zegt over de groep van zestien, dat  een historische eenheid vormden. Natuurlijk is het een historische eenheid, omdat zij in staat zijn geweest de macht over te nemen op een moment, dat het pure noodzaak was om de macht  over te nemen. Naast de vier getuigen die door de vervolgings ambtenaar zijn genoemd om de qualificatie die door hem is gegeven aan de groep van zestien zijn er andere getuigen die aangeven, dat het niet zo is. Ik noem U maar voor het gemak en verwijs daarbij naar de citeringen hierboven op de navolgende paginas te weten:  pagina 17 de getuigenis van flohr onno die zegt, dat hij ook heeft geschoten, echter behoorde deze Flohr niet tot de groep van zestien. Op pagina 25 getuigenis van Pika die aangeeft, dat de groep van zestien niet op bezoek kwam bij Bouterse. Pagina 26 de getuigenis van Monsels die bij de briefing door Bhagwandas aanwezig was  behoort evenmin tot de groep van zestien. Graanoogst pagina 33, hij zegt letterlijk ik weet niets van het gegeven, dat de groep van zestien  een speciale positie had. Natuurlijk is het verklaarbaar, dat de groep van zestien die op 25 februari een helden daad samen  hadden verricht zich aan elkaar verbonden voelden, echter betekent zulks niet, dat zij daardoor ook binnen de formele structuren van het leger een speciale eenheid was.

De verdediging heeft hierboven   en ook in het vervolg hier op terug komen en het milieu zoals de vervolgings ambtenaar het noemt waarbinnen de strafbare feiten zouden zijn gepleegd nader met U bespreken.

Nu reeds moet worden vastgesteld dat de stelling, dat er geen sprake was van rechtstaat een bewering is die nergens op slaat en zal zulks ook bewezen worden.

Mevr. De President, leden van de krijgsraad, vaststaat en blijkt zulks ook uit de verschillende verklaringen, dat Bhagwandas een leidende rol had  bij hetgeen is gebeurt op de dagen 6 ,7 en of 8 december 1982. Die vraag is niet van belang. Van belang is om aan de hand van hetgeen hierboven is gesteld te bewijzen, dat mijn cliënt een afspraak had met de personen genoemd in de tenlastelegging om het gevolg, dat is ingetreden ook gewild zou hebben. De getuigen opgegeven door de vervolgings ambtenaar namelijk Derby, Flohr, Jankipersadsing en Vrede bewijzen namelijk niet dat zij kennis dragen van een vergadering, dat mijn cliënt heeft gehad met een of meerdere van de personen genoemd in de ten laste legging. Volgens de vervolgings ambtenaar kan uit het verhoor van Derby die aangeeft dat nadat zij waren voorgeleid bij Bouterse hoorde hij repeteer wapens overgaan. Hieruit wordt de conclusie getrokken dat de repeteer wapens te maken hadden  met de personen die reeds waren vooorgeleid. Echter is dit geen bewijs  zoals door de wet aangegeven en hierboven uit een gezet.

Het betreft hier een vermoeden en bovendien wordt een schakel redenering gevolgd die nadrukkelijk door de Hoge raad in Lucia De B is  afgewezen.

Bovendien zegt Derby bij de R.C. het volgende: voor een juist beeld moet u begrijpen dat ik de ene keer s’morgens bij Bouterse ben gebracht en de tweede keer zo omstreeks acht uur half negen  s’avonds . Tijdens het zoeken naar mijn kleren ontdekte ik twee personen die ik herkende als Kamperveen en Slagveer.

Uit de wijze waarop ik ze daar zag had ik niet de indruk dat zij in leven waren   en nu komt het U moet weten  dat vanwege mijn gemoeds toestand  en de schrik ie ik te pakken had eigenlijk niet zoveel tegenwoordigheid van geest bezat om na te gaan wat ik allemaal daar zag. Een getuige die zelf zegt niet zoveel tegenwoordigheid van geest bezat om na te gaan  wat ik allemaal daar zag  kan geen  verklaring afleggen over een historisch feit. Bovendien kan Derby slechts over de uitvoerings fase een verklaring afleggen. Over de voorfase voor het plegen van het strafbare feit en of feiten kan Derby geen verklaring afleggen en daarmede kan de tezamen en in vereniging zoals hier boven uiteen gezet ook niet bewezen worden.

De getuige Flohr Onno nadat de President de getuige heeft gewezen op het onmiddellijkheids beginsel zegt deze getuige het volgende “ik was op 8 december 1982 wel aanwezig in het Fort. Ik heb Bouterse niet gezien in het Fort. Als U mij zegt dat ik bij de Rechter-commissaris verklaard heb, dat ik niet weet of ik Bouterse gezien heb, moet ik u zeggen dat ik Bouterse niet gezien heb in het Fort. Ik heb niet gezien dat mensen gebracht werden naar de kamer van Bouterse.

Deze getuige zegt, dat hij zelf ook heeft geschoten, doch  deze getuige behoort duidelijk niet tot de groep van zestien en is daarmede de bijzondere rol van de groep van zestien ook ontzenuwd. Deze getuige zegt verder: Bouterse was de bevelhebber. De opdrachten kwamen niet van hem.

Het kan dat hij ervan op de hoogte was. Ik heb niet gezien dat de slachtoffers werden voorgeleid   bij hem. Ik weet niet wat er bij hem op de kamer werd besproken. De leden van de groep van zestien waren daar. In beginsel is door deze citering het tweede bewijs middel van de vervolgings ambtenaar  ontzenuwd op pagina 22 en 23 van het requisitoir. In elk geval zegt Flohr Onno. Ik weet niet wat er besproken werd. Het derde bewijs middel van de vervolgings ambtenaar is de getuigenis van Vrede bij Vermeer Letitia. Alvorens ook dit bewijs middel te ontrafelen moet worden vastgesteld, dat de vervolgings ambtenaar nadrukkelijk niet in overeenstemming met artikel 324 zijn bewijs heeft willen presenteren kennelijk omdat er veel contrasten zijn in de verklaringen bij de politie en hetgeen ter terechtzitting is  verklaard u lette maar op de verklaring van Vrede ter terechtzitting “men heeft tot 17.00 uur geschoten. Ik heb Bouterse op die dag niet gezien. Ik denk niet, dat ik verklaard heb dat Bouterse in het Fort was  zolang de mensen werden neer geschoten. Ik kan mij dat niet herinneren.

Ik weet niet van waar die verklaring komt. Hij zegt verder “ik ben niet naar Kamperveen Johnny geweest. Hij is bij mij gekomen en mij gezegd heeft dat ik een verklaring moest afleggen van hetgeen ik gezien heb “Ik  kan mij niet herinneren als Bouterse in het Fort was op 8 december”

Mevr. De President, leden van de krijgsraad. De vervolgings ambtenaar gaat er stee vast van uit dat Bouterse niet heeft geschoten met als gevolg, dat door hem de zogenaamde Vegehlse school  arrest constructie  zoals beschreven op pagina 12 van dit pleidooi. Het verschil is namelijk, dat in de Vegehlse school vaststond, althans uit de bewijs middelen kwam vast te staan, dat de vader aan een zoon een geladen pistool had gegeven. Het geven van een pistool is een feitelijk gebeuren, dat bewezen was in deze zaak. Uit geen enkele getuige verklaring blijkt dat Bouterse wapens  heeft verstrekt, nu wapens  tot de dagelijkse persoonlijke uitrusting behoort van militairen. Nu zulks vaststaat zal uit een bewijs middel  bewezen moeten worden dat er afspraken zijn gemaakt met het gevolg zoals vermeld in de verfeitelijking van de tenlastelegging  meer nog voor die dubbele opzet met name de afspraak moet de meest extreme vorm van opzet aanwezig zijn.

Het element voorbedachte rade.

Bij de bestudering van dit element zult U merken, dat de wetgever met voorbedachten rade heeft willen aangeven dat de dader niet gehandeld heeft in een ogenblikkelijke gemoedstoestand en of een gemoedsopwelling, maar dat hij een periode hoe kortstondig dan ook van bedaard nadenken moet hebben. Tegenover de opwelling moet dat nadenken ook nog kalm en rustig zijn. Is hier sprake van en uit welk  bewijsmiddel blijkt zulks. Ik vraag uw aandacht voor de   subjectieve bestanddelen opzet en schuld.

Hier mevr. de President mag het rustig overleg en kalm beraad heel hard bewezen moeten worden hetgeen niet het geval is uit de inhoud van de bewijs middelen. Ter weerlegging van de voorbedachte rade om het gevolg te doen intreden zoals verwoord in de tenlastelegging neem ik U mee naar het verhoor van Venoaks ter terechtzitting. Hij zegt Bij het regelen van een vliegtuig moet de luchtvaartdienst aan te pas komen. Er was niets om me te wantrouwen. Bouterse zei dat Bhagwandas mij zou contacten. Ik denk wel dat er een plan gemaakt is om de coup te ontzenuwen. De plan beraming, althans de feiten zoals genoemd door de vervolgings ambtenaar op pagina 28 van zijn requisitoir zoals het houden van een training en of het doorknippen van de telefoonlijnen ten huize van de gearresteerden  en of  het ophalen van de door de vervolgings ambtenaar genoemde slachtoffers, hadden niet voor ogen het gevolg zoals verwoord in de tenlastelegging. De verdediging heeft U gewezen op het verhoor van Venoaks en ook uit het verhoor van bijvoorbeeld Doorson waarover straks meer blijkt, dat de noodzaak dringend aanwezig was om de personen te arresteren. De plan beraming had niets te maken met het gevolg zoals die is ingetreden. De vervolgings ambtenaar wordt daartoe dringend uitgenodigd om uit een bewijs middel  aan te geven, dat cliënt het gevolg voor ogen had.

Doorson zegt, dat uit zijn onderzoek het volgende was gebleken. Ik heb die jongens van het vuurpeleton gevraagd of Bouterse aanwezig was en ze hebben het alleen over Commandant Bhagwandas gehad. Ik heb geen harde informatie dat Bouterse daar was. Na deze citering heeft de vervolgings ambtenaar kennelijk het oog op het zogenaamde container diefstal arrest, bij U allen bekend, echter die vlieger gaat ook niet op, immers in dat arrest was er afgesproken, dat op een bepaalde wijze gehandeld zou worden en de persoon die er niet bij was, was wel betrokken bij het beramen van het plan. De vervolgings ambtenaar zal moeten aangeven uit welk bewijs middel  kan worden gehaald, dat bij de plan beraming afgesproken is om te handelen hoe er gehandeld is. Ik neem U mee naar de verklaring van De Freitas de ambts voorganger van deze vervolgings ambtenaar. Aan hem is gerapporteerd alsvolgt dat  geheel in strijd met zijn instructies de mensen zijn doodgeschoten.

Uit het verhoor van de getuigen Esajas, Brondenstein,  Dijksteel en Dendoe blijkt ook niet, dat zij een afspraak hadden. Meedoen aan oefeningen met nieuwe wapens is een normale militaire handeling en heeft niets van doen met het doen intreden vaneen gevolg zoals verwoord in de tenlastelegging. Bovendien blijkt uit het verhoor van Monsels, dat gewoonlijk Bouterse het woord voerde, doch, dat hij Bhagwandas het woord heeft gegeven voor de uitvoering. Uitvoering waarvan?.

Uit welk bewijs middel blijkt dat naast de arrestaties er nog andere handelingen gepleegd moesten worden. Ik neem U opnieuw mee naar het verhoor van Venaoks en sluit dit deel af met een citeringen uit het verhoor van Graanoogst ter terechtzitting.

De reden waarom Derby de plaats nog heeft kunnen verlaten is, omdat Bouterse als hoogste man er een stokje voor heeft kunnen steken. Waarschijnlijk heeft iemand onbevoegdelijk het bevel gegeven om de trekker over te halen. Ik weet niets van het gegeven dat de groep van zestien een speciale positie had.

Om  het hierboven gestelde middels getuigen te bewijzen namelijk, dat het gevolg niet het resultaat is van kalm beraad en rustig overleg en ook niet van een vooraf gemaakte plan   een allerlaatste citering uit het verhoor van Mr. Haakmat d.d. 10 september 2002  ik heb kolonel valk gesproken over hoe zoiets kon ontstaan. De conclusie van ons beiden was dat het deels gepland was en deels uit de hand gelopen was, in die zin dat het oppakken gepland was maar de executies het gevolg waren van een woeste vergadering. Volgens Valk  was het niet gebeurt als hij er toen was geweest.

Bewijzen in het strafrecht mevr. De President, leden van de krijgsraad dient te geschieden op grond van de inhoud van de in de wet limitatief opgesomde bewijsmiddelen zoals thans aan U is gepresenteerd. Uit het bovenstaande blijkt in elk geval, dat niet bewezen is, dat er sprake was van een plan en dat mijn cliënt dit  gevolg heeft gewild, in elk geval blijkt zulks niet uit de bewijs middelen. Uit alle verklaringen blijkt dat er kennelijk gehandeld is  op een wijze in strijd met de instructies, echter mevr. De President en leden van de krijgsraad, de verdediging heeft al aan U voorgehouden, dat overheden bij hun optreden niet altijd zuiver handelen. Dat er gehandeld moest worden is buiten kijf en zal  zulks ook bewezen worden.

De noodzaak om te handelen.

Onder verwijzing naar de staatsrechtelijke positie van mijn cliënt  en  door de vervolgings ambtenaar geïndiceerde op pagina 11 en volgende alsof er geen sprake was van een rechtstaat enkel en alleen omdat de Grondwet buiten werking was is een slag  in de lucht en wel om het navolgende. Mevr. De President, leden van de krijgsraad het is een feit van algemene bekendheid, dat in de jaren na de onafhankelijkheid van Suriname, ons land en het volk  verpauperde. Om U enkele voorbeelden te noemen zijn een bejaarden tehuis alwaar tussen de aasgieren mensen leefden. Gehuwde vrouwen waren in 1980 nog steeds handelings onbekwaam. De medische voorziening was een puinhoop. Het opzetten van een ziekenfonds kwam door ondeskundigheid en corruptie niet op gang. Er werd en waren er ook geen plannen om  op het gebied van de huisvesting ook maar iets te ondernemen, immers alle aandacht was gevestigd op het door de ex kolonisator geïnitieerde West Suriname project. De toenmalige staten van Suriname waar onze vertegenwoordigers debatteerden over het wel en wee van het volk werd er met stoelen gegooid.

De vertegenwoordiging van het volk in de staten was zodanig geregeld, dat de districts en binnenland bewoners daar geen enkele invloed op hadden. De etnische spanningen waren voelbaar en dreigden zelfs de vormen van vlak voor 25 november1975 aan te nemen.

Zo zag de rechtstaat die de vervolgings ambtenaar  kennelijk voor ogen heeft gehad bij het verwoorden van het milieu waarbinnen de strafbare feiten zouden zijn gepleegd. Geconcludeerd moet worden dat er van een rechtstaat absoluut geen sprake was en de staatsgreep voor de bevolking een nieuwe hoop was, die ook in vervulling is gegaan. Mevr. De President, leden van de krijgsraad de verdediging zal nu overstappen om het bewijs te leveren, dat er een noodzaak bestond om in te grijpen om veel meer bloed vergieten te  voorkomen.

Ten bewijze van het hierboven gestelde het volgende. Ik neem het verhoor van van Haperen in zijn geheel hierover. Bij de Rechter- Commissaris en ter terechtzitting heeft deze getuige haarfijn uit een gezet wat de bedoeling was en op welke wijze het ingrijpen zou geschieden op kerstnacht in 1982.

Nu wordt deze van Haperen  door Nederland genoemd een oplichter en beweert Nederland hem niet te kennen. Mevr. De President, leden van de krijgsraad het is  een feit van algemene bekendheid dat overheden altijd betwisten  hun undercover agenten te kennen, als zij geheel in overeenstemming met hun geweten zaken naar buiten brengen. Mevr. De President, leden van de krijgsraad, als het alleen van Haperen was, dan zou de verdediging zelf ook twijfelen, echter weet U als ervaren rechters, dat toevalligheden van deze aard niet bestaan in het recht. De getuigenis van van haperen vind ondersteuning in andere getuige verklaringen en andere  documenten die later tevoorschijn zijn gekomen. Ik neem U mee  naar het verhoor van Graanoogst en van Doorson.

Graanoogst zegt het volgende:

Ingrijpen was noodzakelijk. De Legerleiding heeft het ingrijpen geëffectueerd. De strongholds moesten worden’ weggehaald. Wanneer je als Legerleiding informatie hebt van dit gehalte, moet je ervoor zorgen dat je de haarden arresteert.

Naderhand heb ik ook CIA rapporten gelezen over groepen die werden voorbereid om via de buurlanden, Suriname binnen te vallen. Over de handelingen van de CIA heb ik achteraf gehoord. Nu reeds blijkt dat de verklaring van van Haperen  wordt ondersteunt door deze verklaring van Graanoogst.

De getuigenis van Doorson:

Wanneer een buitenlandse mogendheid van plan is om een invasie te plegen is het meestal zo dat ze vooraf personen in Suriname gaan betrekken.

Het kan zijn nadat mensen als Kamperveen, Oemrawsings hun namen als bruggenhoofden zijn genoemd. Dit soort invasies gaan vaak gepaard met veel bloed vergieten. Horb zei dat hij die informatie van Derby kreeg. Horb zei dat er vergaderingen werden gehouden. Volgens  Horb was Derby tegen een invasie.

Ik neem U ter ondersteuning van de verklaring van van haperen en dat dit soort toevalligheden in het recht niet bestaan mee naar het verhoor van Flohr Ono zegt deze getuige, dat hij van Chotkan die de rechterhand was van Horb gehoord had, dat via een entertainment groep de zogenaamde Coney Island een coup gepleegd zou worden. De avond voor 8 december was het stapvol en nadat de mensen waren opgebracht is deze getuige gaan kijken en het was leeg. Tot meerdere ondersteuning neem ik U mee naar het verhoor van Haakmat bij de R.C. er was een bijeenkomst in Krasnapolsky  tussen Derby met Hoost als zijn adviseur en Daal. Ik was daals adviseur maar gelet op derby’s houding  ten opzichte van mij, was het verstandig er als ik er niet bij zou zijn. Daal vroeg Derby mee te doen met de algehele staking. Derby vreesde dat het een plan was om mij weer in het centrum van de macht te plaatsen. Mevr. De President het ging allemaal om macht en  macht verkrijg je op een bepaalde wijze die deze Haakmat kennelijk ook al had uitgedacht zoals uit andere rapporten blijkt.

Ik sluit in een kopie van the Monthley Warning  assesment for Latin America van 29 juli 1982. Een analyse  van de CIA pogingen om Bouterse ten val te brengen  concludeert  “the march coup failed  but the opposition   would try again in december. Er is veel meer gezegd in dit rapport, zo is ook gezegd op welk moment acties tegen Suriname zijn gestopt. Ik verzoek de krijgsraad de inhoud als  deel van dit pleidooi te willen beschouwen.

Mevr. De President, leden van de krijgsraad vaststaat, dat er een onderzoek is geweest, immers twee getuigen namelijk Doorson en Brahim bevestigen dit. Vaststaat ook, dat op wonderbaarlijke wijze uit een kluis van de Surinaamse bank  waaruit nooit eerder iets is verdwenen uitgerekend dit dossier verdwijnt en de vervolging geen enkele behoefte heeft gehad om de personen slechts drie volgens Brahim te vervolgen wegens verduistering. Echter is het wel van belang om vast te stellen, dat iemand belang heeft gehad bij de verdwijning van dit dossier en tegelijkertijd het wegstoppen van archief stukken in Nederland voor de duur van zestig jaren. Het belang om dit dossier te doen verdwijnen kan alleen gezocht worden in het feit, dat er bezwarende verklaringen waren ten aanzien van de15 slachtoffers en kennelijk de rol van Nederland in het geheel. Ik breng U in herinnering het interview van Tussen broek. Overigens waarom zou  de monseigneur van Sichem toen geweigerd hebben om het dossier in bewaring te nemen?

Mevr. De President, leden van de krijgsraad ik ga dit deel afsluiten met een citering uit het werk van Sandew Hira zoals door hem verwoord op pagina  135. Kort en zakelijk komt het er op neer, dat in een gesprek met een C.I.A agent deze hem het volgende zei: aanvankelijk begon hij zijn verhaal over zijn ervaringen na de Rambocus coup toen hij ging deelnemen aan meerdere vergaderingen waarin plannen werden besproken om Bouterse ten val te brengen via een buitenlandse invasie.

Op de vergaderingen waren advocaten – ook mijn broer-  en vakbonds leiders aanwezig. Volgens hem was Derby op die vergaderingen faliekant gekant tegen een buitenlandse invasie  en wilde hij de regering ten val brengen middels demonstraties. Mevr. De President, leden van het Hof kijkt U maar hoeveel  overeenkomsten er zijn met deze citering en de getuigenis van Chotkan. Uit al deze historische feiten is onomstotelijk komen vast te staan, dat elke verantwoordelijke overheid moest ingrijpen om veel meer doden zoals van Haperen dat zegt in de buurt van 800 en of 1000. Hiermede is dan ook de redenering van de vervolgings ambtenaar alsof op een blote dag zonder enige redenen een aantal bloeddorstige militairen zijn opgestaan en op ondemocratische wijze personen hebben gelicht van hun bed, die hebben gemarteld en doodgeschoten. Uit al de informatie die uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan is het onomstotelijk dat de betrokkenheid van de landgenoten genoemd in de tenlastelegging bij een dergelijke militaire actie niet een was van actief participeren  aan gevechtshandelingen. Het beeld, dat ontstaat uit het onderzoek ter terechtzitting en de getuige verklaringen over de participatie van de omgekomen landgenoten is een van het   bieden van een effectief bruggenhoofd van de buitenlandse militaire actie.

Dit zou geschieden door middel van hun invloed op de organisaties waaraan zij leiding gaven dan wel segmenten van de samenleving waar ze een zeker gezag en vertrouwen genoten alsook hun bereidheid om het regerings vacuüm na de invasie in te vullen.

Nu het is komen vast te staan dat de betrokken landgenoten  zich hebben geleend voor het om verwerpen van het bevoegd gezag ten behoeve van een buitenlandse mogendheid en voor de moord op honderden landgenoten daarbij, dan hebben zij zich volgens alle conventies die internationaal daarover bestaan zich schuldig gemaakt aan hoogverraad met alle consequenties van dien. De actie die door het bevoegd gezag is ondernomen om de bruggen hoofden zoals de verdachte dat aangeeft in zijn verhoor, gericht op de omverwerping van het bevoegd gezag in het land en de dood van honderden burgers, die met dat gezag enige verbinding hebben, is niet zomaar de verantwoordelijkheid van de regering en haar relevante dienst onderdelen.

Het afslaan van de dreiging is vooral en bovenal een verplichting, die de regering niet mag verzaken, zonder daarvoor te worden gestraft. De enige conclusie is dat het openbaar ministerie gegeven deze feiten niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Ik breng Uw raad opnieuw in herinnering dat niet geschroomd is om in een gebeds huis moorden te plegen (coup Rambocus in een hindoe tempel). Hiermede wordt slechts de geaardheid en het karakter van  de genoemde landgenoten aangegeven.

Mevr. De President, leden van de Krijgsraad thans zal het volgende hoofdstuk met U worden besproken namelijk de amnestie wet.

Reeds hierboven op pagina negen is aangegeven dat  de gewijzigde amnestie wet op geen enkele wijze betekent dat er sprake is van inmenging in een lopende strafzaak. Ook Van Der Pot zegt dat en sluit ik in pagina 451 van zijn werk.

Ik citeer. Bij amnestie wordt aan feiten, gedurende een bepaalde tijd gepleegd achteraf het strafbaar karakter  ontnomen, onverschillig of er een rechts vervolging is ingesteld en of men de schuldigen allen kent. Hier ontbreekt dus steeds  de betrekking tot bepaalde individuen. Doordat het ingrijpen in den normalen rechtsgang  zoveel verder gaat, is alleen de wetgever tot het verlenen van amnestie bevoegd verklaard.

Ingrijpen mag en dus kan er geen sprake zijn van inmenging, immers er wordt gebruik gemaakt van een bevoegdheid die door de constitutie is gegeven. Mevr. De President, leden van de krijgsraad het niet respecteren van een wet door de rechter zou kunnen betekenen, dat de rechter zich boven de wetgever en het democratisch proces heeft geplaatst en voorts de kans groot is dat de rechter kan worden beschuldigd het gelijkheids beginsel te hebben geschonden maar boven al in strijd met het onschuld presumptie en het discriminatie verbod heeft gehandeld. Bovendien kan de rechter ervan worden beschuldigd dat in strijd met het beginsel, dat niemand mag worden gestraft voor een feit, dat niet meer strafbaar is. Deze schendingen kunnen het fundament van een rechtstaat aantasten en rieken naar misbruik van bevoegdheden. Mevr. De President wij moeten er voor waken, dat wij niet het kind met het badwater weggooien. Mevr. De President, leden van de krijgsraad. Ik sluit in kopie in de Liberiaanse amnestie wet van 7 augustus 2003 en de discussies daarom heen in de zaak Taylor.

Mevr. De President ik sluit voorts in delen uit de uitspraak in de zaak Magnus tegen Kroatie EHRM  27 mei 2014 app. no. 4455/10.

Ik citeer een deel:

In deze uitspraak komt aan de orde de vraag hoe een amnestie regeling zich verhoudt tot het internationale recht en de daaruit voortvloeiende plicht om ten aanzien van bepaalde misdrijven over te gaan tot vervolging. In de uitspraak is de visie van de third party inveners weergegeven, waaruit onder meer volgt dat geen verdrag bestaat waaruit volgt dat het verboden is om amnestie te verlenen voor internationale misdaden, sommige internationale en regionale gerechten zich op het standpunt stellen dat amnestie voor internationale  amnestie inderdaad kan leiden tot straffeloosheid van degen die verantwoordelijk  zijn voor schending van fundamentele  mensen rechten, maar dat amnestie de enige mogelijkheid is  om bijvoorbeeld gewapende conflicten te beëindigen, zodat  niet zonder meer gesteld kan worden dat amnestie voor internationale misdrijven verboden moet zijn, maar dat gezocht moet worden naar een genuanceerde benadering ten aanzien van amnestie regelingen.

 

Op grond van het voorgaande vraag ik U nu reeds het Openbaar Ministerie dan ook niet ontvankelijk te verklaren. Bovendien Mevr. De President, leden van de krijgsraad. In artikel 1 lid 1onder f en g  wordt de wet van1992 gewijzigd in dier voege, dat aan de personen die als verdachten zijn aangemerkt en als zodanig  zijn gedagvaard   in verband met feiten gepleegd op 7, 8 en of 9 december 1982   zoals omschreven in de dagvaarding in verband met de artikel 347, 348, 349 c.q. artikel 72 lid 2 en artikel 360 e.v. van het wetboek van strafrecht genoemd.

Voorts geeft artikel 3 van de gewijzigde wet met name lid b, dat  indien het betreft personen tegen wie de zaak bereids ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, waarvan thans sprake is, de bevoegdheid tot strafvordering te hunnen aanzien vervalt, de Rechter voor wie de zaak aanhangig is gemaakt, onmiddellijk de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal uitspreken  en indien de verdachte zich in detentie bevindt diens onmiddellijke  in vrijheid stelling zal bevelen. Mevr. De President, leden van de krijgsraad los van de instructie die aan U in Uw hoedanigheid als rechter is gegeven door de wetgever in art.12 wet AB heeft de wetgever in artikel 1 lid 3 heel nadrukkelijk superlatieven gebruikt namelijk, dat door U de meest gunstigste bepaling moet worden toegepast.

Mevr. De President, leden van de krijgsraad in het voorgaande is reeds nadrukkelijk uit het onderzoek komen vast te staan, dat handelen noodzakelijk was en bovendien gevraagd is mijn cliënt vrij te spreken en of het Openbaar Ministerie niet te ontvangen. Indien U het niet eens bent vraag ik U te doen zoals de wetgever zulks van U verlangt en aangegeven in de amnestie wet van 1992.

Mevr. De President, leden van de Krijgsraad, in deze zaak is er eerder door Uw raad een beslissing gegeven en wel op11 mei 2012. De verdediging heeft er belang bij zeker als in het vervolg een vergelijking zal worden gemaakt met Uw besluit van 9 juni 2016  het volgende vast te stellen. De verdediging is genoodzaakt de status van Uw onderzoek na 2016 te testen en na te gaan als Uw  hervatting van het onderzoek enige juridisch grondslag  heeft . In 2012 heeft Uw raad heel nadrukkelijk vastgesteld, dat aan de voet van 335 Sv de zaak moet schorsen. Welnu artikel 335 dat overeenkomt met artikel 349 Nederlands bepaald het volgende: Alvorens de bepaling van art. 335 met Uw raad te bespreken verwijst de verdediging naar artikel 132  Sv.  (138 Nd Sv.)

Ik citeer:

“onder uitspraken op een terechtzitting gegeven beslissingen:

Onder eind uitspraken de uitspraken tot schorsing der vervolging of tot verklaring van onbevoegdheid, niet ontvankelijkheid of nietigheid van de dagvaarding, en die welke na afloop van het gehele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan”

Wat zegt Cleiren op pagina 1498 elfde druk.

Ik citeer:

Hoewel volgens art.138 (132 Surinaams)  de uitspraken van artikel 349 lid 1 (335 Surinaams)  moeten worden aangemerkt als eind uitspraken, zijn het nog geen uitspraken over het feit in de zin van art. 68 (57 Surinaams );

een nieuwe vervolging mag worden ingesteld als de rechter is gekomen tot nietigheid van de dagvaarding, zich onbevoegd  achtte,  het OM niet ontvankelijk heeft verklaard  of de vervolging heeft geschorst vetgedrukte van de verdediging. Uit deze citering volgt dat de vervolging aan zet is en niet de rechtbank of de krijgsraad zelf. Voorts  zegt de krijgsraad in 2016 dat zij volhard bij haar tussen vonnis van 11 mei 2012. Op 11 mei was er helemaal geen tussen vonnis doch een eind uitspraak. Het gevolg is, dat de voortzetting van de behandeling na de einduitspraak elke  juridische grondslag mist. Zelfs als ervan zou worden uitgegaan ,dat   ex artikel 5 een voorwaarde is gesteld aan de schorsing, is de verdediging benieuwd naar de  wettelijke grondslag van die voorwaarde. Artikel 335  Sv. bied geen ruimte om een voorwaarde te stellen. Gaarne ziet de verdediging eveneens de grondslag om op grond van art. 335 een voorwaarde b te stellen. Zelfs als een voorwaarde gesteld mocht worden, dan nog is die voorwaarde zoals afgeleid van artikel 5 Sv. Een misslag en wel om het volgende: Interpretatie  en wel extensieve is in het kader van het legaliteits beginsel slechts toegestaan voor delict bestanddelen en sanctie normen en voor niets anders.

In een uitspraak van het EHRM 8 juli 1999 ( Baskaya en Okeuglo ca Turkije) is dit ook bevestigd. Extensieve interpretatie van delicts bestanddelen wordt gegeven bijvoorbeeld in het vonnis van het Hof Arnhem 27 oktober 1983 NJ 1984,80  Giraal geld werd in deze lijn van interpretatie opgevat als een voor toe-eigening vatbaar goed. Een laatste opmerking over de schorsing en het extensief interpreteren van artikel 5 Sv.  Mevr. De President, leden van de krijgsraad is dat het in artikel 1 Sv neergelegde beginsel staat het de rechter niet vrij om een duidelijke wetbepaling een ruimere betekenis te geven.

Bovenstaande heeft als gevolg, dat schorsing op zich geen enkele grondslag had. Bovendien mevr. De President de verdediging is benieuwd om van Uw raad te vernemen als art. 335  Sv ruimte laat om te schorsen onder een voorwaarde, nu die schorsing een eind beslissing is. Telken male moet de verdediging wel vaststellen, dat Uw raad in haar beslissing van 2016 is blijven volharden bij haar redenering in 2012.

Nu de grondslag voor opheffing van de schorsing. In 2012 zegt U op pagina 15 het volgende  “De krijgsraad is tevens nagegaan of in casu  toepassing van deze wet (de gewijzigde amnestie wet) strijdig kan worden geoordeeld met een of meer in hoofdstuk V van de Grondwet  genoemde grondrechten. De krijgsraad zal artikel 10 en 11 toetsen aan de gewijzigde amnestie wet. De klacht van de nabestaanden ex artikel 4 van het wetboek van strafvordering is in behandeling  genomen en heeft geresulteerd in het onderhavig proces, waardoor  niet geoordeeld kan worden dat de nabestaanden geen gebruik  hebben kunnen maken van dit recht.

De onderhavige zaak betreft een strafzaak  van de auditeur militair (in feite de staat vertegenwoordigd door het Openbaar Ministerie  in penalibus) tegen de verdachten. In deze zaak hebben de nabestaanden noch ingevolge ons strafrechtelijk systeem noch ingevolge een ieder verbindende verdrags normen een inbreng van ruimere aard dan hetgeen genoemd in artikel 25 van voormeld verdrag en de eerder aangehaalde nationale rechten en plichten in  ons strafrechtelijk systeem.

Op pagina 18 in 2012 zegt U het volgende “ artikel 131 lid 3 van de grondwet valt evenwel niet onder de uitzonderingen genoemd in artikel 80 lid 2 van de Grondwet  en geeft de gewone rechter, in casu de krijgsraad, dus geen toetsings bevoegdheid. Derhalve acht de krijgsraad zich niet bevoegd de gewijzigde amnestie wet rechtsreeks aan artikel 131 lid 3 van de Grondwet te toetsen.

In 2016 volhardt U in de redenering zoals eerder voor U geciteerd en  zegt Uw raad het volgende “de krijgsraad stelt vast dat genoemde wetswijziging op het moment dat de strafzaken in een dergelijk  vergevorderd stadium van behandeling bij de rechter (de krijgsraad)  waren, namelijk het requisitoir, zonder meer kan worden  aangemerkt als inmenging in een lopende strafzaak, hetgeen volgens artikel 131 lid 3 van de Grondwet verboden is.

De krijgsraad zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en op grond van artikel 137 van de grondwet toepassing van artikel 1 van de gewijzigde amnestie wet  (S.B.2012 no 49) naar het oordeel van de Krijgsraad in deze concrete strafzaak in strijd wordt gehandeld  met een der in hoofdstuk V van de Grondwet genoemde grondrechten, ongeoorloofd verklaren. Derhalve zal de Krijgsraad in dit concreet geval deze bepaling buiten toepassing laten.

De verdediging stelt vast, dat in 2012 de raad geen schending van een grondrecht had vastgesteld en in 2016 plotseling wel van schending sprake was. In 2012 had U geen toetsing bevoegdheid en in 2016 plotseling wel.

Mevr. De President eenheid van rechtspraak  met name voor de Rechter in haar rechtsvindingswerk is bepalend voor de rechtszekerheid  in een land en is van belang voor behoud van de democratie. De genoemde contraire beslissingen door een en  het zelfde gerecht is noch voor de Rechter in persoon noch voor de rechtspraak in zijn geheel een goede zaak en geeft een vertekend beeld van bedoelde instituten. Mevr. De President nu zulks is vastgesteld zal er een consequentie hieraan verbonden moeten worden en die consequentie zal een gevolg moeten zijn van de zelf reflectie die de rechtspraak gehouden is te plegen en wel zich  alsnog onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van deze  strafzaak. Overigens mevr. De President, leden van de krijgsraad de term tussen vonnis zoals door Uw raad telkenmale aangegeven in 2016 is de verdediging niet tegen gekomen in artikel 138 van Uw wetboek van Sv. Ik stel nadrukkelijk vast, dat 2012 geen tussen vonnis was doch een eind vonnis zoals door Uw raad zelf vastgesteld.

Mevr. De President thans enige slotopmerkingen.

Mevr. De President de verdediging heeft een poging ondernomen om dit proces te plaatsen in het perspectief waarin zij thuis hoort. De verdediging moet wel vaststellen, dat in de afgelopen periode met name door een deel van de nabestaanden die niet er op uit waren om de waarheid te weten, doch slechts op vergelding uit waren  systematisch kennelijk onder invloed van het buitenland gepoogd hebben de gemeenschap middels leugens een bepaalde kijk op dit proces te krijgen. Om Uw raad zulks te bewijzen zal geciteerd worden uit het requisitoir van de vervolgings ambtenaar zie pagina 26 van het requisitoir: de A.M.  is gedurende de loop van dit strafproces vaker ongevraagd  telefonisch benaderd, zelfs door prominente vertegenwoordigers van de nabestaanden met het verzoek getuigen aan te horen, die tot in detail zouden kunnen vertellen wat er precies is gebeurd en wie heeft geschoten op wie en  wie niet heeft geschoten. Kortom onweerlegbaar getuigen bewijs. De A.M. stond geheel open voor dit aanbod, immers het gaat om  waarheids vinding en niet het bevredigen van de menselijke

nieuwsgierigheid. De hamvraag over het aandeel in het schieten  door Bouterse zou aldus  door getuigen bewijs aangedragen kunnen worden. Op enig moment heeft de A.M. opengestaan om te luisteren  naar de persoon in kwestie. Tijdens zo een moment is beweerd dat deze verdachte verantwoordelijk zou zijn voor het ontnemen van het leven van het slachtoffer Slagveer.

 Nadat de A.M. aan de aanbieders  van getuigen in spe  en ooggetuigen had aangegeven, dat hetgeen deze of gene getuige aan de A.M. wilde vertellen ook op schrift gesteld zou moeten worden en dat betrokkenen ter terechtzitting als getuige gehoord te kunnen worden heeft de A.M. niets meer gehoord over dit bewijs aanbod”. Mevr. De President toch wordt geheel in strijd met de waarheid elke keer weer verteld door de vertegenwoordigers van de nabestaanden, dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om bewijs aan te dragen. Een pertinente leugen.

Ieder van ons en ook de nabestaanden hebben heden ten dag toegang tot internet en allerlei literatuur en of wikileaks. De nabestaanden hebben kennelijk om voor hun moverende redenen  nagelaten enig onderzoek te plegen en de vele rapporten zoals een mouthly rapport van de C.I.A  het boek Villa Maarheeze een verslag over de B.V.D in Nederland en de vele andere bronne te raad plegen. Zij hebben zulks opzettelijk nagelaten om aan de pers  opnieuw geheel in strijd met de waarheid mede te delen, dat de  voor bereidingen voor een reime change in 1982 de leugen van de eeuw zou zijn. Kennelijk voor hun eigen gemoeds rust daarbij eventjes vergetende, dat de genoemde slachtoffers hoe pijnlijk ook het gebeurde bij de verdediging overkomt van plan waren om moorden te plegen in een gebedshuis.

Mevr. De President, leden van de krijgsraad de verdediging heeft een poging ondernomen om op grond van de feiten die voorhanden zijn en in het dossier voorkomen U een beeld te geven van de gebeurtenissen op grond waarvan ik U ga vragen eerstens de verdachte voor de gehele tenlastelegging vrij te spreken, subsidiair op grond van het feit dat U zonder enige grondslag  het onderzoek na een eindbeslissing hebt hervat de niet ontvankelijkheid uit te spreken en tenslotte meer subsidiair vraag ik U dat U zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van deze strafzaak.

Voorts vraagt de verdediging U om op grond van de vigerende wettelijke bepalingen met name de amnestie wet die toepasselijk te verklaren en het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren

 

Bijlage:

Pr.1. Mountly report

Pr.2. Pagina uit van der pot

Pr.3. Liberiaanse amnestie wet

Pr.4. EHRM 27 maart 2014

Mevr. De President, leden van de krijgsraad, thans wenst de verdediging over te stappen naar het tweede deel van zijn pleidooi namelijk de voeging. Mevr. De President de voeging is in ons wetboek geregeld in artikel 316. Dit artikel geeft aan op welk moment de beledigde partij zich mag voegen in een strafproces namelijk voordat de vervolgings ambtenaar de eerste keer aan het woord komt hetgeen zij ook hebben  gedaan.

Formeel is dus de vordering volgens de wet ingediend bij Uw krijgsraad lees het gerecht alwaar de strafzaak in behandeling is. Mevr. De President artikel 31 van de wet reglement  inrichting en samenstelling rechtelijke macht zoals gewijzigd in  S.B.1985 no. 2 bepaald,  dat tot vergoeding van kosten en schaden mits vijf duizend gulden niet te boven gaand ingesteld door de beledigde partij die zich daartoe in het geding heeft gevoegd. De wetgever heeft voor U vastgesteld, dat U geen oordeel mag geven voor bedragen de vijfduizend gulden thans  vijf SRD te boven gaand.

Dat deze wet aan wijziging toe is, zal de verdediging met U eens zijn, echter verbied artikel 12 wet AB ons allen en Uw raad ook om een oordeel te geven over de innerlijke waarde of de billijkheid van een wettelijke regeling  met als gevolg, dat de verdediging U gaat vragen de vordering van de beledigde partij aan hun te ontzeggen.

Ik geef U in kopie een vonnis van het Hof van Justitie die  met in acht neming van  de geldende wettelijke bepaling een bepaalde berekenings wijze heeft toegepast om conform artikel 316 Sv. Een schade vergoeding toe te kennen.

Indien en voor zover U het met deze ziens wijze niet eens mocht zijn het volgende: Uit het pleidooi mag de verdediging met gemak concluderen, dat de personen of landen die verantwoordelijk zijn voor het leed van de nabestaanden ook de schade dienen te voldoen. Uit het bovenstaande is het duidelijk, dat het koninkrijk der Nederlanden belang heeft gehad bij een regime change in Suriname en zij ook verantwoordelijk zijn voor het leed, dat onze landgenoten hebben moeten ondergaan, immers uit het voorgaande blijkt ook, dat Nederland een economisch belang heeft gehad bij de beoogde regime change en niet ervoor heeft geschroomd om  mensen levens op het spel te zetten. Nederland heeft dit belang ook voortgezet blijkende zulks uit hun bijzondere rol bij de  vuile oorlog, die in zijn geheel is geïnitieerd en gefinancierd door dit land waaruit tevens het belang blijkt.

Ook om deze redenen gaat de verdediging U vragen de vordering af te wijzen, althans de  nabestaanden niet te ontvangen in hun  vordering, omdat zij bij een andere forum zullen moeten zijn, waarbij natuurlijk de Staat Suriname alle ondersteuning dient te geven om de vordering van de nabestaanden  te schragen.

 

 

Paramaribo, 29 januari 2018

 

Bijlage: 1.kopie vonnis Hof van Justitie, d.d. 14 maart 2016 Parket nummer 1-2-02634

BIJLAGE:

(PLEIDOOI D.D. 29 JANAUARI 2018)

  1. Mountly report
  2. Pagina uit van der pot
  3. Liberiaanse amnestie wet
  4. EHRM 27 maart 2014
  5. Kopie vonnis Hof van Justitie, d.d. 14 maart 2016 Parket nummer 1-2-02634

 


Onze Partners
 
Staatsolie
SWM
Telesur
Grassalco
SZF
Surinaamse Luchtvaart Maatschappij
Energie Bedrijven Suriname “EBS”